|
Ane Vester
(cv)
Hans Theys
De onzichtbare (blauwe) potloodslijper
Enkele woorden over een tentoonstelling van Ane Vester
Ane Vester maakt kleurpanelen waarop onderaan met kleefletters een woord is
aangebracht. Het woord en de kleur komen in ons hoofd samen en roepen daar een
voorwerp op dat we soms al heel lang kennen. Een roodbruin oppervlak en het
woord ‘woordenboek’ voeren mij terug naar de versleten, tweedelige Vercoullie
uit 1955, waarmee mijn vader tienduizenden bladzijden heeft vertaald. Een paars
paneel en het woord ‘klompen’ voeren mij terug naar het midden van de jaren
zeventig. Ik zie zomerse, blote enkels die oplichten onder het gefladder van
brede, bleke jeanspijpen en ik voel de gladde, verdachte streling van een
tweedehandse bontjas, zoals ze toen in mijn vriendenkring in de mode waren.
Wat gebeurt er eigenlijk als we naar een kunstwerk kijken en daar iets bij
voelen? Kunstwerken drukken geen gedachten of gevoelens uit, ze roepen die bij
ons op. Of omgekeerd: kunstwerken zijn kapstokken waar wij onze gevoelens aan
kunnen ophangen. Het zijn ongewone texturen die ons helpen gevoelens bij onszelf
op te roepen. Het zijn autosnelwegen naar onze binnenkant. Waarschijnlijk zien
wij rondom ons alleen maar beelden die al in ons hoofd zaten. Een kunstwerk lokt
sommige van die beelden naar buiten, zodat we ze ineens helder kunnen zien.
Sommige beelden schijnen altijd te hebben bestaan, zodat ze onze borst
samenknijpen als een gespannen vuist: de dienstmaagd Anna die in een film van
Bergman het hoofd van de stervende Karin aan de borst drukt, de transparante kus
van Warhol, de moeder van Gerard Reve die enkele jaren na haar dood door haar
zoon wordt opgemerkt op een natgeregend trottoir in Edinburgh (eindelijk draagt
ze kleren die haar goed zitten), en de fluisterende nabijheid van Gainsbourg,
die ons doet denken aan de momenten waarop we heel dicht bij onze vader waren.
Het prachtige aan de kleurpanelen van Ane Vester is dat ze op een verrassend
directe manier beelden bij ons oproepen en ons tegelijk tonen hoe ons brein en
ons hart werken. Ze nodigen ons uit voor een wandeling langs onze persoonlijke
staalkaart, door te putten uit het collectieve geheugen.
Soms herkennen we de voorwerpen niet, maar proberen we ze ons voor te stellen:
oranje, plastieken laarsjes, een eierschaalkleurige trapleuning of een
mosterdkleurige automobiel. Zo gaan we zelf schilderen in ons hoofd. Kleur en
woord vormen de aanzet tot een mentaal beeld van iets dat we nooit hebben
gezien. De schilderkunst is hier een soort van literatuur met kleur geworden of
een soort muziek met woorden. Iets straks dat breed uitwaaiert, maar dat
tegelijk zo fijnzinnig en sensueel is dat geen man het ooit had kunnen bedenken.
Het doet mij denken aan Virginia Woolfs Orlando, die het gezicht van zijn
geliefde vergelijkt met een vos, een olijfboom, een met gras begroeide heuveltop
en een golvende zee waarop je van grote hoogte neerkijkt.
Ik vroeg Ane Vester hoe ze tot deze prachtwerken is gekomen. ‘Vroeger maakte ik
abstracte, houten objecten. Ik beschilderde ze met twee kleuren die volgens mij
bij elkaar hoorden,’ vertelt ze. ‘Na een tijd ging ik mij echter afvragen hoe
het kwam dat ik met zo’n grote zekerheid scheen te weten welke kleuren bij
elkaar pasten. Tot ik mij op een dag een paars en bruin gestreepte, gebreide
zomerhoed herinnerde die ik veel gedragen heb toen ik zeven of acht jaar oud
was. Nadien ging ik mij steeds vaker voorwerpen herinneren waarin
kleurcombinaties voorkwamen die ik in mijn werk had proberen te benaderen. Nog
later begon ik mij heel precies de kleur van bepaalde voorwerpen te herinneren,
bijvoorbeeld het blauw van een potloodslijper. Langzamerhand ben ik zo gestopt
met het maken van objecten en ben ik kleuren en de daarmee verbonden
herinneringen gaan gebruiken als materiaal.’
Montagne de Miel, 6 januari 2003
|