|
Bernd Lohaus
(cv)


Hans Theys
Als voetsporen van een
huppelende reus
Enkele woorden over het werk
van Bernd Lohaus
Ich, ein tolles Kind, ich singe
Jetzo in der Dunkelheit;
Klingt das Lied auch nicht ergötzlich,
Hat’s mich doch von Angst befreit.
Heinrich Heine, ‘Die Heimkehr’
Vrijdagavond, half tien. Vanmiddag heb ik Bernd Lohaus ontmoet. Hij zat aan de
overkant van een glazen tafel en het buitenlicht liet zijn lichtblauwe ogen
stralen als ochtendnevel. Af en toe lachte hij heel hard, met open gelaat en
open mond, weerloos, gelukkig, ontsnapt in de verlichting van de voetje gelichte
waanzin.
Al mijn ontmoetingen met Bernd Lohaus zijn merktekens, ankerpunten, bakens in
mijn herinneringen. De manier waarop hij, in 1993, Marthe Wéry, Ann Veronica
Janssens en mij meesleepte naar het Middelheimpark om zich daar, op zijn knieën
vallend in de wei, dansend, met de armen zwaaiend, brullend en fluisterend, te
overtuigen van bevindingen die we nu nog niet publiek kunnen maken. We spreken
over een man die eindeloze verhalen weet te weven, struikelend van anekdote naar
anekdote, aan elkaar rijgend, nicht, beschrijvingen van mooie kunstwerken,
uitzonderlijke voorvallen of anders gezegd banale voorvallen die op een
uitzonderlijke manier belicht worden.
Soms was daar vroeger veel holle angst en een amechtig klauwen naar oevers of
dobberend houvast, maar de laatste jaren is die angst gaan liggen als in slaap
gewiegd slib.
Als de drenkeling van Rimbaud liggen zware balken op de bodem van het waaien van
de angst en als vlaggen wapperende gedachten. Gebruikte aanmeerpalen als doffe,
voorzichtige spiegels, als deuren, als ramen, als spijlen, als oude, zware
speculaas, spiegels van koek, spiegelingen, portretten, daden van berusting,
weerbarstigheid, lichtvoetigheid, luiheid als dam, korte beslissing, gedurfde
naaktheid, luide kwetsbaarheid, eenvoud en stilte.
In deze werken wordt de oude poëzie voortgezet. We zien spraaktralies van Paul
Celan, een Atemwende, een stilleven, een thuiskomst, een bloem, een steen, een
helling, een lof der verte, een haven, hoorresten en ziensresten, strooibezit,
een bloeiende bijl, brood.
Jij en ik. De doener tegenover het hout dat vorm is en kort woord, dat geen
voorwerp is, en dan toch.
De man proeft de woorden en vertelt. De man zwijgt en proeft de woorden. De
woorden proeven het zwijgen. De woorden proeven de man.
Ik kijk naar een bronzen sculptuur die bestaat uit drie op elkaar gestapelde
delen. De twee onderste delen zijn afgietsels van oorspronkelijk vederlichte
kratjes waarin mandarijnen worden verkocht. Het bovenste deel is een afgietsel
van een uit drie in elkaar geschoven stukken karton bestaande scheiding die in
een doos fungeert als buffer tussen zes wijnflessen.
‘Ik hou veel van de twee onderste delen,’ zegt Bernd. ‘Vooral omwille van het
doorzicht onderaan. Het doet mij denken aan een van de mooiste gebouwen die ik
ooit heb gezien, in San Francisco, niet ver van de haven. Het adres was Bush
Street 1. Niemand kende de naam van de architect, maar het was een prachtig
gebouw. Het rustte op verschillende basissen, zodat je onder het gebouw door kon
kijken. Onderaan bevond zich een heel grote, diepe garage en daarboven,
achterin, zweefde een heel groot terras van travertijn.’
Onlangs zag ik een groot werk van Lohaus in een Leuvense kerk. Vier balken lagen
in de vorm van een vierkant. Het werk trof mij als een abstract kruis. Later
bedacht ik dat ik de vierkanten en kruisen van Malevitsj in één beeld had
ervaren. De centrale positie van de sculptuur in de kerk was niet theatraal,
maar terecht. De werken van Lohaus laten de ruimte open vouwen. Ze bepalen de
ruimte rondom zich. Het zijn drempels voor een andere ervaring van een ruimte,
van de tijd. Ze slaan een brug naar herinneringen aan andere woorden en
verhalen, ze voeren ons terug in de tijd, ze vertragen de tijd, ze breken het
moment. Het zij eerste passen in het heden. De ingehouden aanloop. De opening.
Morgen.
Toen ik enkele dagen vóór de opening van Documenta IX met Panamarenko arriveerde
om K2 te installeren, was ik onder de indruk van Lohaus’ sculptuur en de manier
waarop die de gang waarin ze lag aan onze blik offreerde. Daarna, in
tegenstelling met alle afspraken, slibde de ruimte dicht. Ann Veronica Janssens
belde Bernd op om hem te waarschuwen. Op de avond van de opening stelde een
befaamd Gents verzamelaar zelfs voor de sculptuur naar buiten te slepen. Toch
hield het werk stand temidden van de rommelige opstelling.
De prachtige manier waarop de sculptuur in het Middelheim verdwijnt, zich naar
een helling voegt, een zijdelings contrapunt vormt.
Als de oude, gebruikte balken toch verzaagd worden, krijgen de snijvlakken een
vuile, oude laag van modder uit een beek in Weert.
Lang kijken. Af en toe ingrijpen.
Bernds terras. Prachtige sculptuur op de Scheldekaai. Ook zitbank. In 1994 een
geliefkoosde plek van Walter Swennen en Ann Veronica Janssens.
De prachtige, driehoekige zaal in het Muhka, bijna leeg, voorzien van enkele
toetsen, een hangend schildersdoek, een verticale streep olieverf daarover die
doorloopt over de muur, over een stuk van de vloer. De lichtheid van de papieren
strookjes van Guy Mees, de radicaliteit van Buren of Donald Judd, de mensenmaat
van Carl Andre of Le Corbusier, de humor van Bruce Naumans hoek in de woestijn,
de sensualiteit van Hokusaï.
En als pendant van de kale, ingehouden, driehoekige ruimte: de zaal met de
toonkasten en de voorgeschiedenis, de oudere werken, als archiefstukken, als
archeologie, als opengewerkt landschap, als model voor een nog te bouwen,
vergeten stad, als een minimaal gedicht.
De prachtige gedichten van Bernd, die helder worden als hij ze voorleest. Op een
avond, in een Antwerpse galerie, bevend, overdonderend.
Op een avond ontmoet ik Bernd in Factor 44. ‘Weet je wat ik zou doen als ik les
gaf?’ vraagt hij. ‘Ik zou een heel jaar lang met de studenten naar De Maagd en
het Kind omringd door Engelen van Fouquet gaan kijken, hier in het museum.’
Nu, enkele jaren later, vraag ik hem wat hij zo bijzonder vindt aan dit
schilderij.
‘Zoals dat blauw geschilderd is en dat rood,’ vertelt hij, dat vind ik
unheimlich schön.’
‘En dat reliëf waarin je ziet hoe San Lorenzo geroosterd wordt. Het timpaan
boven het hoofdportaal van de grote dom in Genua. Links en rechts zie je twee
duivels. Die staan daar te lachen en te genieten van het spektakel.’ (Lohaus
verdwijnt in een belendende kamer, komt terug met een blaasbalg, hurkt neer,
begint lucht te blazen en schiet bulderend in de lach.) ‘Een van die duivels
wakkert het vuur aan, lachend. En San Lorenzo zegt: “De andere kant ook
alstublieft.”’
‘Neen, met haar borsten heeft het niets te maken. Voor borsten moet je bij
Botticelli zijn, in de National Gallery in Londen: Venus and Mars. Venus heeft
van die opbollende, korte mouwtjes zoals Sneeuwwitje… Dat zijn vier borsten voor
mij.’
‘De mooiste borst vind je in een schilderij van Rubens in het Prado. In dat
schilderij geeft de madonna de borst aan het kind Jezus. Dan komt Jackson
Pollock en vliegt de melk zo weg. In één sprits, één spattende dripping… Ik kwam
voorbij dat schilderij als ik naar de cafetaria liep.’
‘Mijn eerste moeder is overleden toen ik geboren ben. In 1940. Er was geen
penicilline om haar te helpen. Mijn vader is drie keer getrouwd. Toen hij
overleden is, heb ik een grafzerk voor hem gemaakt. Ik heb de namen van zijn
drie vrouwen in het hout gebeiteld. Een vriend heeft het werk gezien. “Die staan
nooit meer op!’ lachte hij, ‘zulke zware balken!” (Lacht.) De kerkhoven in
Duitsland zijn prachtig. Plastic is er niet toegelaten. Heel veel planten. Een
paradijs voor ornithologen.’
‘Heb je mijn Monument voor Bismarck al gezien? Kom eens kijken! Ik heb het
ingezonden voor een wedstrijd. Het was het eerste werk dat door de jury werd
geëlimineerd! En wat vind je van onze keuken? De mooiste kamer van het huis…’
Anders dan bij Tuymans, die de dreigende aanwezigheid van het voorwerp wil
ontregelen of terugdringen in een weifelend, herinnerd beeld, omarmt Lohaus de
tafel en de stoel, het struikelblok, de stapeling.
We begrijpen, in het geval van beide kunstenaars, de vaak verkeerd aangehaalde
zin van Nietzsche, over de werkelijkheid die alleen verdraaglijk is als
esthetisch fenomeen. In de wilde toveringen van het licht waarin wij weerloos
worden, en even vergankelijk, tasten wij naar de vertraagde schaduwzijde, het
lineaire, het grafische, het voor heel even gestolde maar wezenlijk hopeloos
vormeloze, en wij omarmen het.
Prachtige happenings in 1964, waarbij Lohaus blanco bladen uitdeelde. Lege, in
te vullen ruimte. Accenten. Rustpunten. Kruispunten. Witregels. De spatie als
leesteken.
De schuine streep als ingehouden, verzwegen, uitgestelde sabelhouw. De lijn. De
rustende beitel.
Verder lezen
|
 |
'Eupen', installed as part of the exhibition
'EUPEN, BEERSEL und anderes',
in Herman Teirlinckhuis en Frankveld, Beersel.
Curated by Hans Theys, April-December 2007. |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
Beersel, 2007 |
|
|
 |
|
|
 |
 |
|
Smak, 2006 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
Collectie S.M.A.K. |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
| Portret van Bismarck |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| 29 maart 2007 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
|
ESSAYS BY HANS THEYS
Decisive Incisions, 2009
Als voetsporen van
een huppelende reus, 2006
In den
beginne was het mes, 2006
TO VIEW MOVING IMAGES
CLICK HERE
|