|
Guillaume Bijl
Hans Theys
Over een dansant toreador en zijn Apollinische voorhang (Guillame Bijl in het S.M.A.K.)
In maart van dit jaar vindt in het S.M.A.K. een grote tentoonstelling plaats met
werk van de Belgische kunstenaar Guillaume Bijl. De kunstenaar krijgt de
beschikking over het hele museum, net als zijn illustere voorganger Paul
McCarthy. Op de begane grond zal Bijl een grote, fictieve handelsbeurs opbouwen.
Op de eerste verdieping komt een fictief museum. Beide installaties worden
samengesteld op basis van tal van bestaande werken, zoals een museum dat de
geschiedenis van de erotiek voorstelt, of het leven van de prehistorische mens,
museumpjes waarin vijf historische stoelen of enkele leren broeken worden
getoond, of een grote museale opstelling die een overzicht biedt van de
geschiedenis van de vervoersmiddelen… Wat is er specifiek aan deze kunstwerken?
Wie is deze kunstenaar? Waarom is zijn werk zo belangrijk dat hij een heel
museum te zijner beschikking krijgt? In de drie volgende paragrafen probeer ik
een antwoord te geven op deze paragrafen.
De kunstwerken
Op de eerste plaats komen natuurlijk de kunstwerken. Hoe zie die eruit? Hoe zijn
ze gemaakt? Guillaume Bijl onderscheidt in zijn oeuvre vier soorten van werken:
de transformatie-installaties, de situatie-installaties, de composities en de
sorry’s. Ik zal hier vooral spreken over de eerste twee, omdat die het bekendst
zijn en het grootste deel van zijn oeuvre uitmaken. Eén van zijn eerste
transformatie-installaties was een ‘Lampenstand’ of ‘Lustrerie’ die hij opbouwde
op de befaamde kunstbeurs van Basel. Het werk, dat momenteel deel uitmaakt van
de collectie van het S.M.A.K., ziet eruit als een winkel waar allerlei vormen
van binnenhuisverlichting worden verkocht, maar dan in de vorm van een stand
zoals je die aantreft op handelsbeurzen. In 1998 vertelde Bijl mij hierover het
volgende: ‘Toen Mark Hostetler van Furkart mij in 1984 de kans gaf op de
kunstmarkt in Basel een lampenstand te zetten, gingen de andere galeriehouders
de directrice halen om mij buiten te laten smijten. Een van de grootste
tegenstanders van mijn installatie waren die mensen van galerie Zwirner, die
werk van Picabia en Duchamp verkochten… Zo’n kunstbeurs is eigenlijk toch maar
een grote handelsmarkt. Ik vind het plezant daar lusters tussen te hangen, alsof
ik mij van beurs vergist heb.’
In het algemeen bestaan de transformatie-installaties in het verbouwen van een
kunstruimte tot een ruimte waar iets anders schijnt te gebeuren. De eerste
installatie in deze zin kwam tot stand in 1979, toen Bijl de Antwerpse Ruimte Z
ombouwde tot een ‘Autorijschool’. Deze installatie ging gepaard met een pamflet
waarin werd beweerd dat de overheid was overgegaan tot een algemene
‘Kunstliquidatie’ en overal in het land kunstruimtes had geannexeerd om er meer
nuttige neringen in onder te brengen. Later vielen deze pamfletten weg. De
voorbije 28 jaar bouwde Bijl op deze manier de prachtigste installaties: een
veilingzaal, een fitness-ruimte, een atoomschuilkelder, een supermarkt, de
ontvangsthal van een vliegveld enzovoort. De installaties worden bevolkt met
echte voorwerpen. In die zin gaat het niet om theaterdecors. Voor zover mogelijk
gaat het telkens om een waarheidsgetrouwe reconstructie van de typische setting
waarbinnen een bepaald deel van ons leven zich afspeelt.
Het kijkbeeld van Guillaume Bijl
Het is interessant te weten hoe Bijl tot het bouwen van deze installaties
gekomen is. Als student aan een Brusselse filmschool hield hij van het opsporen
van de juiste rekwisieten voor het aankleden van de sets. Op een bepaald
ogenblik had hij een idee voor een eigen werk, dat hij ‘Army Treatment’ of
‘Legerbehandeling’ noemde. Het was de bedoeling de toeschouwers te ontvangen in
het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten en hen in enkele opeenvolgende ruimten
bepaalde handelingen te laten ondergaan. Hij of zij zou opgevangen worden in de
‘registration room’ waar zijn of haar identiteit werd gecontroleerd en
personalia werden genoteerd. Vervolgens zouden personeelsleden (zorgvuldig
aangeklede en geïnstrueerde acteurs) de bezoekers van zaal tot zaal hebben
gebracht, waar ze achtereenvolgens verschillende behandelingen zouden ondergaan
tot ze een volwaardige legerbehandeling, inclusief gevangenschap en executie,
hadden gekregen.
Het grote inzicht van Bijl bestond erin dat deze, oorspronkelijk theatrale,
performance-achtige aanpak, veel sterker kon zijn als hij het gebruik van
acteurs achterwege liet. Allicht kwam hij tot dit besef omdat hij geen geld had
om acteurs te betalen, maar dat doet niets af aan de prachtige vondst.
Het resultaat is immers – en hierin bestaat het specifieke en oorspronkelijke
van zijn oeuvre – dat hij een vorm gevonden heeft om zichtbaar te maken hoe wij
in ons leven van decor naar decor gestuurd worden om daar een bepaalde reeks
voorgeschreven handelingen te verrichten, zonder dat we dat echt in de gaten
hebben.
In 1999 heb ik een week lang met Bijl gewerkt aan het inrichten van een
minuscuul museum dat gewijd was aan de geschiedenis van de erotiek (Van de
Middeleeuwen tot Heden). Op een dag vertelde hij mij het volgende verhaal:
‘Gisteren moest ik een paspoort ophalen in het stadhuis. Het was heel
eigenaardig. Ik bevond mij in een grote zaal met aan één kant allemaal vensters
waar vrouwen achter zaten. Aan de andere kant van de zaal stonden allemaal
stoelen naast elkaar tegen de muur. Het waren allemaal verschillende stoelen. Op
die stoelen zaten mensen. Ik moest daar ook gaan zitten. We moesten ons daar
oefenen in het wachten… Ik denk dat ik eens zo’n zaal ga maken. Ik heb goed
gekeken welke soort stoelen ze hebben gebruikt.’
De verbazing van Bijl over het feit dat hij zich had dienen te ‘oefenen in het
wachten’ in dit vreemde, op wonderlijk eclectische wijze samengestelde kantoor,
vertelt ons niet alleen hoe hij er allicht in geslaagd is zijn leven zodanig te
organiseren dat hij zich niet vaak in deze positie bevindt, maar ook hoe
onwerkelijk vrijwel elk decor bij hem moet overkomen.
Het belang van dit werk
Het eerste wat we dienen in acht te nemen als we naar dit (en ander) werk
kijken, is de intentie van de kunstenaar. In het geval van Bijl komt die hierop
neer dat hij een kritische houding wil aannemen ten opzichte van de
maatschappij. We weten niet wat er het eerst was: Bijls voorliefde voor het
zoeken van rekwisieten, die is uitgemond in een besef van de gedwongenheid en
het kunstmatige van de settings waarbinnen ons leven zich afspeelt of,
omgekeerd, een aanvankelijke argwaan jegens deze settings, die heeft geleid tot
een bijzondere aandacht voor de afzonderlijke voorwerpen die er deel van
uitmaken. We weten wel dat Bijl een uitzonderlijk tactiel en visueel genot puurt
uit het texturaal, kleurmatig en compositorisch nabootsen en uitlichten van deze
settings. Ook is het duidelijk dat hij gaandeweg meer en meer is overgegaan tot
het volledig verduisteren van de ruimtes waarbinnen hij zijn composities
opbouwt, zodat hij er niet alleen meer en meer in slaagt het droom-aspect van de
ons omringende decors te laten aanvoelen, maar ook meer en meer gestalte geeft
aan een eigen droomwereld, die bevolkt is met deze vreemde, onbewoonde plekken.
In deze optiek kunnen we nog even een blik werpen op de ‘composities’ van
Guillaume Bijl, die hij zelf onderschat vindt en door de kunstenaar Ann Veronica
Janssens in een gesprek met mij werden omschreven als ‘veel subtieler dan de
meeste mensen denken’. De eerste ‘Composition trouvée’ van Guillaume Bijl die ik
vaak heb gezien bevond zich in een Zwitsers hotel op de Furka-pas. Voor zover ik
mij herinner bestond het werk uit twee of drie kleurige limonadebakken en een
paar ski’s, die in de buurt van de ingang van het hotel tegen de muur stonden.
Later nemen deze composities echter steeds vaker de vorm aan van een heterogene
verzameling voorwerpen. Voor zover elk voorwerp oorspronkelijk bestemd was voor
een specifieke omgeving of handeling, tonen deze composities ons een soort van
dwaling, een botsing van verdwaalde rekwisieten. Ik vermoed echter, en hier
betreed deze tekst het rijk van de speculatie of de persoonlijke fantasie, dat
ze niet alleen optreden als vertegenwoordigers van hun oorspronkelijke context,
maar door hun vreemde, bruuske samengaan vooral de randen van de decors
blootleggen, waar doorheen ongewenste kieren de niet-aangeklede, nachtelijke
wereld als een ongenode gast naar binnen stulpt en ons onrustig maakt maar ook
blij. Want we zijn elke keer verheugd als we zien hoe iemand erin geslaagd is
een Apollinische voorhang te creëren en als een dansante toreador de vormeloze
wereld uit zijn schulp lokt.
Montagne de Miel, 13 februari 2008
|
 |
Archaeological Site
Skulpturbiennale Münsterland
Photo: Lode Geens, May 2007 |
|
|
 |
Archaeological Site
Skulpturbiennale Münsterland, 2007 |
|
|
 |
|
Airport |
|
|
 |
|
Fami Home |
|
|
 |
|
Stoel |
|
|
 |
|
Caravan Show |
|
|
 |
| Bidetmuseum |
| |
 |
| Matrascentrale |
| |
 |
| Auction House |
| |
| |
 |
|
|
Documenta Wax Museum, 1992 |
|
|
|
|
 |
|
Die Geschichte der Erotik,
Small Stuff I,
Herman Teirlinckhuis, Beersel, 1999. |
| |
 |
|
Die Geschichte der Erotik,
Small Stuff I,
Herman Teirlinckhuis, Beersel, 1999. |
| |
 |
|
Horizon Systems, 1994 |
| |
 |
| TV
Quiz Decor, 1993 |
| |
 |
|
Lustrerie Media, 1984 |
| |
 |
 |
|
|
 |
|
Sculpture trouvée, Tielt, 1987 |
|
|
 |
|
Mon chalet, 1987 |
|
|
 |
|
Sorry, Documenta Kassel, 1992 |
|
ESSAYS BY HANS THEYS
Over
een dansant toreador, 2008
De rand van het decor, 2006
On the
road with Guillaume Bilj, 1998
Op stap met
Guillaume Bilj, 1998
Unterwegs
mit Guillaume Bijl, 1998
Van
A tot Z. Van auto-vrije stad tot tentoongestelde autorijschool.
Kunstenaarsbewegingen in de jaren zestig en zeventig, 2000
INTERVIEW DOOR LODE GEENS, BEWERKT DOOR HANS THEYS
Niet uit de
lucht gevallen, 2005
|