|
Joëlle Tuerlinckx

Hans Theys
Een rimpeling in de tijd
Over een tentoonstelling van Joëlle Tuerlinckx
Joëlle Tuerlinckx spreekt over haar werk op een manier waarop het allicht ook
tot stand komt. Ze maakt tal van kleine omtrekkende bewegingen, alsof ze met een
potlood krullen krabbelt op een blad papier tot er ineens een tot dan toe
verborgen, grotere tekening uit naar voren komt. Ze speelt met verschillende,
maar steeds dezelfde, terugkerende elementen, die met de hulp van toeval en
berekening telkens weer een andere tentoonstelling voortbrengen. Om haar werk
beter te begrijpen of aan te voelen, kan je bijna niet anders dan enkele
tentoonstellingen apart bekijken.
Voor een tentoonstelling in Gent in 1998 heeft ze een boek gemaakt waarin een
groot deel van deze terugkerende elementen gecatalogiseerd worden. In de
tentoonstelling worden deze elementen hernomen en ‘getoond’. Dit ‘tonen’ en
‘rangschikken’ van deze materialen lijkt dan het onderwerp van de
tentoonstelling te worden. Om een deel van de getoonde verzameling te kunnen
zien moet de toeschouwer op een soort van podium klimmen, waardoor hij of zij
zelf zichtbaarder wordt. Tal van kunstenaars hebben getracht materialen of
beelden te tonen in onmerkbaar verschuivende, schijnbaar repetitieve reeksen,
maar hier wordt het tonen zèlf zo monumentaal, dat het een eigen dimensie, een
eigen vorm krijgt.
De tentoonstelling werd verlicht met een paar mandarijntjes en halogeenlampen,
waardoor je onvermijdelijk aan het theater gaat denken, maar deze lampen zijn zo
achteloos opgesteld en produceren een zo ‘toevallig’ licht, met bijbehorende
schaduwen en halfduister, dat ze een gevoel van gewild amateurisme oproepen. Dit
is zo bijzonder aan het werk van Joëlle Tuerlinckx: het monumentale creëert geen
afstand, de toeschouwer wordt niet gekleineerd of vernederd. Meestal toont ze
trouwens eenvoudig te begrijpen voorwerpen, zoals bolletjes plasticine waarin
verschillende kleuren vermengd zitten. In het gewone huishouden zijn deze
bolletjes onbruikbaar geworden en kondigen ze het einde van het spel aan. En
inderdaad: één zo’n bolletje bezorgt ons een triest gevoel van vergankelijkheid
en verprutste kansen. Een hele verzameling van deze bolletjes, met soms zelfs
heel erg dikke ballen, roept echter een gevoel van rijkdom en luxe op. We voelen
dat het spel nog moet beginnen.
Uiteindelijk is Joëlle Tuerlinckx erin geslaagd in Gent een heel grote ruimte te
vullen met heel kleine spulletjes zonder te vervallen in pretentie of misselijk
makende theatraliteit. Dat is een krachttoer.
Voor een tentoonstelling in het Museum Dhondt-Dhaenens tijdens datzelfde jaar
heeft ze voor het eerst een catalogus gemaakt waarin een tentoonstelling getoond
wordt. Deze tentoonstelling was op het ogenblik van de vernissage echter al
afgebroken, zodat de catalogus van meet af aan louter een herinnering aan een
verdwenen gebeurtenis vormde (zoals vrijwel altijd het geval is met klassieke
catalogi na de tentoonstelling). Wat we in het museum te zien krijgen is
eveneens een herinnering aan een tentoonstelling: op de muren staat er
nauwelijks zichtbaar geschreven welke werken er hebben gehangen. Andere muren
werden ‘doorstreept’ met glimmende of witte lijnen. In de tuin worden met een
dun, in de wind flitsend en voortdurend gedeeltelijk verdwijnend lint, als een
stippellijn van licht, bouwplaatsen afgebakend, die wijzen op grootste plannen
voor komende constructies. (Hetzelfde lint werd gebruikt op het podium in het
museum van Gent, waar het soms ook de dikte van een glasplaat suggereerde.)
Tegelijk wordt in toonkasten en via een geluidsband de geschiedenis van het
Museum Dhondt-Dhaenens uit de doeken gedaan, alsof Joëlle beslist heeft niet
alleen haar eigen spullen te ordenen en zichtbaar te maken, maar ook het archief
van het museum. In bestaande boeken legt ze eigen ‘catalogus-bladzijden’.
Verleden, heden en toekomst worden vermengd. Her en der geven transparante,
plexi maatstokken verdwenen of komende voorwerpen aan. Het is alsof de hele,
bijna wezenloze tentoonstelling als een transparant met glimmende lijnen over de
oppervlakte van het museum en de omliggende tuin wordt gelegd en gepast. Zo
speelt deze tentoonstelling zich af als een onwezenlijke, bijna ongrijpbare
speling van het licht, een trilling in de tijd, een rimpeling tussen verleden en
toekomst.
Toen een curator Tuerlinckx in 1996 voorstelde samen met een andere kunstenaar
een grote, ronde zaal te delen in Salzburg, stelde Joëlle voor de ruimte niet
fysiek in twee te delen, maar temporeel. Ze besloten dat er zowel een vernissage
en een finissage zouden zijn en dat de kunstenaars halverwege de tentoonstelling
van plaats zouden verwisselen. Rond de ronde ruimte was een gang, die Joëlle als
eerste zou benutten. De toonkasten die er hingen maakte ze leeg en werden
genummerd, ze ging rond met een rol tape, alsof ze de binnenste ruimte als één
grote sculptuur wilde beschermen en in de inkomhal plaatste ze een grote stapel
door haarzelf genummerde stoelen, alsof er een grote, officiële bijeenkomst op
stapel stond. In de gang hoorde je allerlei geluiden. Op een tafel lagen
catalogi die allemaal verschillend waren. Ze bestonden uit verschillende
stapeltjes gekleurd papier die gewogen werden. 100 gram rood, honderd gram geel,
150 gram groen, etc. Elke catalogus was verschillend. Later heeft ze op basis
van deze catalogi video’s gemaakt, die tijdens het tweede gedeelte van de
tentoonstelling in de grote ruimte op monitors te zien waren. Tijdens dat tweede
gedeelte stond er in de ronde zaal ook een microfoon en hoorde je op de
klankband iemand een microfoon testen, alsof er inderdaad een grote samenkomst
ging plaatsvinden. Overal op de vloer lagen tekeningen. Verder was er op een
klein scherm een 16mm film van opeenvolgende, verschillend gekleurde bladen
papier te zien en gingen alle lichten in de hele ruimte op onregelmatige
tijdstippen aan en uit. Omdat je op de klankband ook iemand door de ruimte
hoorde rennen, had je de indruk dat iemand zenuwachtig heen en weer rende en
overal het licht aan- en uitknipte, terwijl de video’s en de film wisselende
kleurvlakken toonden. Het resultaat was een chaotische sfeer die een dreigende
gebeurtenis scheen aan te kondigen.
Voor de tentoonstelling ‘Openstelling’ in Hasselt (1996) stelde ze voor het
museum dag en nacht toegankelijk te maken voor het publiek. Tijdens de eerste
week van de tentoonstelling nodigde ze tal van kunstenaars en theoretici uit om
over hun werk te komen spreken. Tijdens de weken die daarop volgden kon het
publiek kennismaken met een wonderlijke groepstentoonstelling, waaraan
kunstenaars zoals Ann Veronica Janssens, Michel Fançois en Richard Venlet hebben
deelgenomen. Tuerlinckx’ bijdrage bestond in de willekeurig aan- en uitgaande
lichten van het museum.
Voor elke tentoonstelling neemt Tuerlinckx een ander uitgangspunt, andere
materialen en andere standaarden. Tal van voorwerpen of handelingen zijn voor
haar maatstaven geworden, ‘des mesures’, die gebruikt worden als uitgangspunt
voor nieuwe werken of tentoonstellingen.
Een van haar mooiste werken is een kilo bloem, die voor elke tentoonstelling
opnieuw met de hand in een bepaalde vorm geduwd moet worden. De gekozen vorm
hangt af van de gehanteerde maatstaf.
Voor de ‘Small Stuff’ tentoonstelling in Beersel besloot ze te vertrekken van de
‘restjes van de restjes’. Een belangrijk aspect van het werk van Joëlle
Tuerlinckx heeft vorm gekregen in 1994 tijdens het opruimen van de
tentoonstellingsruimtes in het Witte de With. Op het ogenblik dat Tuerlinck, met
haar armen vol bolletjes, snippers en andere restjes, naar een vuilniszak liep,
bedacht ze dat ze eigenlijk de essentie van haar tentoonstelling ging
wegkieperen, waarna ze de ‘Salle des boules et des boulettes’ heeft gemaakt. In
de Small Stuff tentoonstelling toonde ze dus de restjes van de restjes, met het
terugkerende thema van de druppel. Het eerste werk was een steen waarop drie
witte verfdruppels gevallen waren. Dit bracht haar ertoe ook kranten en
roerstokken tentoon te stellen die ze vroeger had gebruikt tijdens het
schilderen van haar appartement. De roerstokken zijn maatstaven, die
bijvoorbeeld gebruikt kunnen worden als basis voor de afmetingen van een te
bouwen vitrine. Daarnaast waren er ook grote keien te zien, waarop enige stukjes
glimmende confetti was aangebracht, en tekeningen die een bepaald tijdsverloop
voorstelden. In deze tekeningen bevindt zich een gaatje waardoor oorspronkelijk
een stokje is gestoken, dat als zonnewijzertje fungeerde. De tekening bestaat
uit twee zwarte bolletjes, die het uiteinde van de schaduw markeren op twee
verschillende momenten, bijvoorbeeld de aanvang en de afsluiting van het bakken
van een ei. Er ook een rond bierviltje te zien, waarop Tuerlinckx een
perspectieftekening voor haar dochter had gemaakt, en een blad uit een catalogus
waar cirkels uit gesneden waren.
Andere varianten van hetzelfde formele thema waren een prototype voor een
multiple, die bestond in het verdroogde overblijfsel van een druiventros waarvan
drie uiteinden wit gemaakt waren, en het project voor een poster dat bestond in
het met zwarte stift in stippellijn geschreven woord ‘poster’ op een glasruit.
Verder was er nog een zwart blad papier waarvan ze snippers had gescheurd om in
een andere tentoonstelling een hoopje zwarte snippers tentoon te stellen en dat
ook al had gediend als beeld voor de kaft van een catalogus, een projectie van
drie doorstreepte woorden met een episcoop, een CD met tentoonstellingsmuziek,
een dertigtal balletjes plasticine, die eerder al in het Brusselse Paleis voor
Schone Kunsten tentoongesteld waren als marmeren muurtjes van Horta en nadien
als balletjes in de hierboven genoemde ‘Salle des boules et des boulettes’ in
het Witte de With.
Een beetje afgezonderd van dit geheel hing een reeks van 18 tekeningen, die de
catalogus op ware schaal van een tentoonstelling vormen. De knipsels die op de
tekeningen gekleefd zijn, zijn ook de knipsels die tijdens de tentoonstelling te
zien waren in toonkasten.
Op een toonkast lag een stapel met honderden dia’s waarop witte vlekjes of witte
geometrische figuren zijn geschilderd.
Een diaprojector toonde 80 zwarte dia’s waarin een gaatje geprikt is, zodat je
op de muur een zwervend lichtpuntje ziet.
Verder lezen
|
|
BOOKS BY HANS THEYS

ESSAYS
Een snoer van voorstellen
voor Brugge 2002, 2002
Zeven voorstellen
voor Brugge 2002, 2002
Tas de farine, 2002
Zelf een tentoonstelling maken, 2002
De poëzie
van het onbenullige, 2001
Een rimpeling
in de tijd, 1999
Small
Stuff New York. List of Exhibited Works, 1999.
Génèse d'une
exposition, 1997
MOVING IMAGES
More moving images
|