|
Michel François. Recent works
(cv)

Hans Theys
Puzzelstukken voor een verschuivend verhaal
Enkele woorden over de tentoonstellingen van Michel François
In mijn allereerste tekst over het werk van Michel François (‘Rien dans les
poches’) heb ik beschreven hoe zijn sculpturen en beelden vaak meer vertellen
over het wezenlijke van het beeldhouwen: het wegnemen of toevoegen van
materiaal, het samenbrengen of verspreiden ervan, het openen of sluiten van
voorwerpen. In een tweede tekst (‘Binnen zonder kloppen’) heb ik geprobeerd aan
te tonen hoe zijn kunstwerken, zonder expliciet te zijn, een politieke werking
hebben omdat ze vragen stellen over de afbakening van de publieke en private
ruimte. In deze tekst zou ik iets willen vertellen over de manier waarop het
werk van François zich verhoudt tot de tentoonstellingsruimte.
INLEIDING
Volmaakt geïsoleerde, eenduidige beelden of voorwerpen bestaan niet. Alle
voorwerpen en gebeurtenissen worden gelezen in een omgeving en krijgen pas een
betekenis door de blik van de toeschouwer. Ik geloof dat François op zoek is
naar een sculpturale, ruimtelijke vorm die de tijdelijke of ‘bemiddelde’
betekenis van voorwerpen zichtbaar of voelbaar maakt.
François’ eerste nevenschikkingen van tegen de muur gedrukte sculpturen waren
geïnspireerd door een aan de Meester van Flémalle toegeschreven schilderij
waarop de marteltuigen van Christus zijn afgebeeld. François noemde deze
opsommende uitstalling een ‘inventaris’. Zijn huidige tentoonstellingen zou ik
willen vergelijken met de Mérode-triptiek, die wordt toegeschreven aan dezelfde
schilder, waarop de openstaande luiken en deuren, de nauwelijks zichtbare
deurpost, de handdoek, de uitgeblazen kaars, de vaas met lelies, de wolken op de
achtergrond en het alaam van Jozef zich over de ruimte verspreiden als helder
verlichte, schijnbaar omlijnde emblemen of als puzzelstukken van een nooit
precies omlijnd, altijd verschuivend verhaal.
VOORGESCHIEDENIS
De eerste twee publieke werken van Michel François waren meteen ruimtelijke
ingrepen. Voor Appartement à louer (1980) bouwde hij met een aantal vrienden een
decor achter een etalageraam. Voorbijgangers zagen een taps toelopende ruimte
met overdreven vluchtlijnen die gebaseerd waren op het tweedimensionale beeld
van een reclameadvertentie. Twee stellen hebben elk een week in deze ruimte
gewoond.
Voor de tweede tentoonstelling, die plaatsvond in een weverij, verzamelde Michel
François spinnen, die losgelaten werden in de ruimte. Verder bevatte de
tentoonstelling een bureautje en enkele doorzichtige, didactische panelen.
De overeenkomst met de huidige bezigheden van Michel François is opvallend. Hij
werkt nog steeds met didactische panelen, die steeds abstracter zijn geworden,
hij vermengt nog steeds private en publieke ruimtes, onder andere in de vorm van
een voortwoekerend bureau, en zijn sculpturen doen denken aan spinnen die zich
schijnbaar toevallig over de ruimte verspreid hebben en door hun verbanden een
denkbaar web door de ruimte spannen.
Toen Michel François in 1989, ter gelegenheid van een van zijn eerste
museumtentoonstellingen, een vijftigtal sculpturen op dezelfde muur naast en
boven elkaar bevestigde op de hoogte van verschillende lichaamsdelen, deed hij
dit om zijn sculpturen een bijkomende betekenis te geven. Die betekenis vloeide
bijvoorbeeld voort uit het verband dat de toeschouwer legde tussen de sculptuur
en het eigen lichaam.
Allicht is het mogelijk de blik, de gevoelens of de gedachten van een
toeschouwer te beïnvloeden door de manier waarop een sculptuur wordt getoond –
bijvoorbeeld in reeksen, op bepaalde hoogtes, met of zonder sokkel, al dan niet
in een toonkast – en zo een sculptuur te verrijken. Toch dacht ik dat dit
manipuleren van sculpturen afbreuk deed aan hun intrinsieke waarde. Het viel mij
op dat François zijn sculpturen vaak ophing aan de muur, alsof hij er opnieuw
tweedimensionale beelden van wilde maken. Ik bracht dit in verband met de vele
hoofden die opduiken uit rolkragen en andere figuren die schijnbaar uit Michel
François’ foto’s willen opduiken, maar telkens weer afgeremd, geblokkeerd of
teruggeduwd worden.
Het leek alsof de geboorte van de sculptuur ondanks alles belet moest worden.
Veel kunstenaars die een eigen vorm hebben gevonden, gaan daarna die vorm tot
het uiterste drijven, waaroor hun werk bijna onzichtbaar, onbevattelijk of
moeilijk te genieten wordt. Michel François heeft die neiging ook. Soms wenst
hij zijn sculpturen op een ogenschijnlijk denigrerende manier te beschouwen als
tekens. Hierdoor heeft hij echter een nieuwe vorm ontwikkeld, waarin
verschillende sculpturen kunnen deel uit maken van een groter sculpturaal geheel
zonder hun eigen waarde te verliezen.
In 1992, voor Documenta IX, werden sculpturen zoals de Vrouwelijke zeep en de
Chocoladebank zelfs verwerkt in de wand van de tentoonstellingsruimte. De
tentoonstellingsplek was orgaan geworden, verlicht ingewand, een met kleinoden
ingelegde, holle poliep. In 1994 vond deze aanpak een variant op de Biënnale van
São Paulo, waar een kuil werd gegraven in de betonnen vloer en waar een leeshoek
werd gebouwd in een holle scheidingswand. De sculpturen vergroeiden met de
ruimte. Ze lieten hun sporen na, zoals de grote kleien Paternoster in Düsseldorf
die duizend keer heen en weer werd gesleurd over de vloer. Uiteindelijk werd de
ruimte zelf als sculptuur behandeld of beschouwd als grondstof voor het maken
van beelden.
Sinds 1997, met de tentoonstellingen in het Witte de With en het Tecla Sala in
Barcelona, is het duidelijk dat François zijn sculpturen niet langer louter in
tegen de muur gedrukte reeksen of opgenomen in een schelpachtige structuur wil
tonen, maar wil verstrooien over een zoveel mogelijk transparant gehouden of
gemaakte ruimte.
DE BESMETTE RUIMTE
In zijn uit 1993 daterende, soms grappige en soms bittere essay Some aspects of
color in general and red and black in particular beklaagt Donald Judd zich over
de gebrekkige belangstelling van historici voor ruimte en kleur in architectuur
en sculptuur. ‘Ruimte bestaat niet meer in de architectuur,’ schrijft hij. ‘Niet
omdat we haar niet opmerken, maar omdat ze er gewoonweg niet is. Er zit geen
keizer in de kleren. Het belangrijkste en meest ontwikkelde aspect van de
hedendaagse kunst is ongekend.’
Donald Judd beschouwde zichzelf als de eerste kunstenaar die een sculptuur
direct op de vloer heeft tentoongesteld, sculptuur en kleur met elkaar heeft
verbonden en driedimensionale sculpturen aan de muur heeft bevestigd. Ik heb
echt lol beleefd met zijn pleidooi voor een nieuw denken over de ruimte. Om het
niet te moeilijk te maken stelt hij ons voor eerst na te denken over een steen
en daarna over een tweede steen, die een beetje verderop ligt. Hoe verandert de
ruimte rond de steen of tussen de stenen? ‘Ruimte wordt gevormd door ons
denken,’ vervolgt hij. ‘Sommige architecten en kunstenaars zijn zich bewust van
de ruimte. De meesten niet.’ Als voorbeelden van vroege scheppingen van ruimte
noemt hij de magere figuren van Giacometti (waar hij overigens niet bijzonder op
is gesteld) en de slappe sculpturen van Oldenburg. Elders vernoemt hij ook de
gipsen bas-reliëfs van Oldenburgs Store, dat hij een van de eerste kunstwerken
noemt waarbij een hele ruimte werd betrokken. Michel François vertelde mij dat
hij lang geleden fragmenten van dit werk heeft gezien. Hij was getroffen door
het als koopwaar presenteren van de sculpturen en het hieruit voortvloeiende,
dubbelzinnige karakter van de ruimte:
‘De winkel van Oldenburg boeide mij door de manier waarop zijn sculpturen de
ruimte beïnvloedden. De ruimte was niet langer louter een neutraal of
neutraliserend schrijn dat diende als achtergrond voor de voorstelling van een
kunstwerk. Het statuut van de ruimte wankelde. De ruimte werd iets anders: een
winkel. De manier waarop de sculpturen gemaakt en getoond werden deed meer
denken aan een kruidenierszaak dan aan een tentoonstellingsruimte. Zoiets heeft
Judd nooit bereikt of willen bereiken. De sculpturen – vlees, vlaggen, stoelen –
deden zich voor als koopwaar. Ze besmetten en vervormden de ruimte, zoals mijn
werk Appartement te huur een uitstalraam omvormde tot appartement.’
DE OPENGEWERKTE RUIMTE
De openbare ruimte en de gebouwen waaruit ze bestaat zijn vaak onleefbaar en
beklemmend. Nu tentoonstellingen iets anders zijn geworden dan het louter tonen
van klaargemaakte voorwerpen, moet de kunstenaar ook nadenken over de ruimte. In
West Europa is het openbare leven beperkt tot een minimum. De mensen trekken
zich terug in hun woningen. Ontmoetingen zijn pijnlijk. Museums doen de wens
ontstaan een nieuw, openbaar leven te creëren. Elke oplettende bezoeker voelt de
behoefte gaten in de muren te maken, bomen door vloeren en plafonds te laten
groeien, water te laten stromen, eten klaar te maken, kinderen uit te nodigen en
luid van mening te wisselen. Toch zijn in de jaren zeventig al zo’n experimenten
ondernomen, zonder blijvend resultaat. Daarom leek het Michel François een goed
idee het instituut zelf dooreen te schudden, de kantoren in de
tentoonstellingsruimte te trekken, verborgen ruimtes voor de toeschouwers
toegankelijk te maken en zoveel mogelijk deuren, ramen, trappen en pleinen te
gebruiken om het museum naar buiten te laten stromen, waar de ruimte, hoe
beklemmend ook, door de voorbijdrijvende wolken, het wisselende licht, en de
wind in de bomen het ideaal van een levende kunst voelbaar maakt.
In het Haus der Kunst in München wordt een deel van het tapijt opgerold en
worden onderliggende planken verwijderd om de weggemoffelde, door Mussolini
geschonken marmeren vloer te tonen. Het verlichtingssysteem dat de zoldering
lager (minder megalomaan) moet doen lijken, wordt genegeerd of verstoord. Een
muur wordt geperforeerd, wanden worden belicht met rechthoekige vlakken.
In de bijna volledig verduisterde ruimte van Le Blac, een soort van betonnen
podium rond een rechthoekige kuip, schroeft François dikke balken vast in de
vloer van het podium. Als dikke, smalle duikplanken nodigen ze de toeschouwers
uit tot een precaire wandeling boven de kuip. Het zijn nieuwe balkons. Ze
verlengen het podium als strepen die opduiken uit een vlak. Ze zijn solide en
flexibel tegelijk. Een op het eerste gezicht onbegrijpelijk videobeeld – gemaakt
met een camera die zich aan het uiteinde van een lange lat bevindt –toont Michel
François, die met een vreemde schuifelpas schaatsend rond zijn as schijnt te
draaien, terwijl achter hem de ruimte duizelingwekkend tolt. Ergens anders
worden de toeschouwers uitgenodigd handenvol klei uit een klaar liggende stapel
te rukken en naar een verlicht muuroppervlak te gooien. In de buurt hangt de
prachtige, gele Mannelijke zeep, die groot genoeg is om je hele romp in één
beweging met zeep in te smeren. Aan de overzijde van de kuil staat een rek met
recipiënten die gevuld zijn met water en drijvende bolletjes piepschuim. We zien
een massieve piepschuimen zitbank, die met de hand werd uitgehold. Links hangt
een kunstmatig verlichte, transparante tule die is bedrukt met een foto van een
huis dat enkele minuten eerder een gevel heeft verloren. Een man probeert enkele
boeken te redden, steunend op een smal strookje overblijvende vloer.
Het half ingestorte huis is een opengewerkt volume; de fauteuil is een half open
gekrabde, massieve vorm; de toeschouwers rijten de klei aan stukken. Alle
beelden en sculpturen verwijzen naar elkaar. Ze proberen ruimte te creëren, een
illusie van openheid in een donker hol. Ze maken het mogelijk een web van
betekenissen te weven, waarbij elke sculptuur, elke ingreep en elk beeld, in
verband kan gebracht worden met de andere.
DE ‘TUSSENLIGGENDE AARD’ VAN HET KUNSTWERK
Kunstwerken zijn aan de werkelijkheid toegevoegde texturen die betekenisloos
blijven zonder onze blik. Een voorwerp bestaat niet buiten onze waarneming.
Vorm, kleur en materiaal wachten op ons om gevoeld, begrepen, benoemd of opnieuw
in vraag gesteld te worden. Elk kunstwerk is een medium, een tussenstuk, een
bemiddelaar tussen de intenties van de kunstenaar en de projecties van de
toeschouwer. Door zijn beelden en sculpturen bij elke tentoonstelling op nieuwe
manieren met elkaar te confronteren versterkt François hun statuut van
bemiddelaar. Ze staan tussen de andere sculpturen. Ze staan tussen de
toeschouwer en het gebouw. Ze staan tussen de kunstenaar en de toeschouwer. Door
zijn sculpturen afhankelijk te maken van hun relatie ten opzichte van elkaar en
de omliggende ruimte, versterkt François hun ‘onvolledige’ status en geeft hij
een concrete vorm aan de tijdelijke en tussenliggende aard van alle dingen.
François zoekt naar ontheatrale, niet hiërarchisch gedachte, open vormen van
tonen die de sculptuur verlossen van de oude aanspraken op definitieve waarheid,
eeuwige geldigheid of onsterfelijkheid.
Een andere manier waarop François dit doet is door sculpturen te maken die zich
aan ons schijnen voor te doen op het moment dat voorafgaat aan hun nakende
verdwijning. De opdracht is niet eenvoudig. Hoe sculpturen maken die hun
eindigheid in zich dragen of aankondigen? François vertaalt deze vraag als
volgt: Hoe kan je dezelfde bol touw tegelijk opgerold en afgewikkeld tonen? Hij
heeft het vaak geprobeerd: met videobeelden, met foto’s en met in gips of
polyester gedrenkte touwen. Uiteindelijk heeft het probleem een mooie oplossing
gekregen in een museum in het Franse Albi. Een bol touw ligt op een vensterbank,
aan de buitenzijde van het open raam. Uit de bol ontsnapt een dun touw dat over
een langsstromende rivier naar een vijftig meter verder gelegen huis reikt.
François heeft het touw met een bootje naar de overkant gebracht en aan de
bewoner van het huis gevraagd of hij het mocht vastmaken aan een balkon. Op een
foto zien we hoe de wind het touw meevoert, zodat het in een zijwaartse boog
gespannen staat en de bol lijkt te zullen ontrafelen. (Tegelijk vormt het werk
een brug naar de buitenwereld en een verbinding tussen private en publieke
ruimte.)
Toen ik Michel François in 1996 voor het eerst interviewde ontstond er meteen
verwarring over het gebruik van de woorden ‘concreet’ en abstract’. Ik hield van
zijn werk omdat het op een concrete manier tot mij sprak, terwijl hij vooral
blij was met werk dat ‘abstract’ geworden was. Nu zie ik daar geen tegenspraak
meer. François wil niet alleen voorwerpen tonen, hij wil ze ook laten spreken
over de kunst en over de samenleving. Hij doet dit niet door ze een ‘inhoud’ te
geven, maar door ze een mentaal beeld te laten oproepen. Een van de manieren
waarop hij dit probeert te doen is door ze te verstrooien over de ruimte en door
de ruimte te behandelen alsof ze zelf materiaal is voor een sculptuur. Net zoals
hij vroeger onderdelen van een huis verzaagde en assembleerde tot onfunctionele,
abstracte composities, probeert hij nu de tentoonstellingsruimtes te verknippen
en op die manier zowel concreter als abstracter te maken. Het gebouw wordt
grondstof voor het creëren van ruimte. Ruimte ontstaat wanneer een gebouw
abstract wordt, wanneer het wordt losgekoppeld van zijn functies en de projectie
van open beelden mogelijk maakt.
DE RUIMTE ALS GRONDSTOF VOOR EEN MENTAAL BEELD
Michel François vergelijkt zijn tentoonstellingen met netwerken van
wortelstokken. Hij wil geen kunstwerken maken met één identiteit, met één
leesrichting, met één lineaire afstamming. Hij zoekt naar het veelvoudige, het
gelijktijdige en het wisselende. Hij wil voorwerpen, beelden en
tentoonstellingen maken met een open identiteit. Hij verwijst daarbij naar een
beroemd filosofisch werk dat ik niet heb gelezen, maar dat mij doet denken aan
de zichzelf in duizenden nevengeschikte aforismen vrolijk tegensprekende
Nietzsche, die ons geloof in een persoonlijke identiteit of het ‘subject’
toeschreef aan verkeerde gevolgtrekkingen uit de grammaticale gewoonte het woord
‘ik’ te gebruiken. Deleuze ziet de wereld als een opsomming waarvan de delen
verbonden worden door het woord ‘en’. Het overtuigende van dit beeld berust niet
alleen in de afwijzing van de synthese, maar ook in het besef van het
‘tussen-zijn’ van alle dingen. ‘De wieg schommelt boven een afgrond en het
gezond verstand zegt ons dat het bestaan niet meer is dan een vluchtig kiertje
licht tussen twee eeuwigheden van duisternis,’ schrijft Nabokov. ‘De mens is een
koord, geknoopt tussen dier en oppermens – een koord boven een afgrond,’
schrijft Nietzsche. ‘Het grote in de mens is: dat hij een brug is en geen doel;
wat bemind kan worden in de mens, is dat hij een overgang is en een ondergang.’
In hoeverre hebben we de filosofie nodig om het werk van François naar waarde te
kunnen schatten? Net zoals het prachtig is een beeld te zien dat intense
gedachten of gevoelens bij ons oproept, moet het ook prachtig zijn beelden of
sculpturen te zien die dit samen kunnen doen en, naargelang van de
tentoonstelling, telkens op een andere manier. Het is ook fascinerend om te zien
hoe de steeds wisselende spreiding of combinatie van sculpturen, foto’s en
videobeelden gepaard kan gaan met een specifieke benadering van elke ruimte, die
zoveel mogelijk wordt betrokken bij het weven van nieuwe verbanden tussen de
afzonderlijke werken. Hoe meer verbanden, hoe meer ruimte.
Ik zou willen herinneren aan de beschrijving van een dorp in Tristes tropiques.
In het midden van dat dorp stroomt een rivier. De mannen moeten trouwen met een
vrouw die geboren is aan de overzijde van de rivier en daar vervolgens ook gaan
wonen. Dit betekent dat de mannen leven op de oever waar hun ouders en volwassen
zonen niet wonen. Elke man is een balling op enkele meters van zijn
geboorteplek. Verder moeten alle belangrijke rituelen zoals huwelijken en
begrafenissen voltrokken worden door iemand van de overzijde van de rivier. Ik
vind dit een mooi voorbeeld van een mentaal beeld met een concrete grondslag en
een zowel concreet als spiritueel doel: het anders-zijn niet ontkennen, maar
bewust maken en accepteren.
Toen ik Michel François over dit dorp vertelde, antwoordde hij met een verhaal
dat hij ooit had gehoord over de Vietnam-oorlog. ‘Toen de Amerikanen zich te
voet voortbewogen door het oerwoud,’ vertelde hij, ‘probeerden de
Noord-Vietnamezen altijd de meest rechtse persoon als eerste neer te schieten.
Zodra de Amerikanen zich hiervan bewust waren, probeerde de meest rechtse
soldaat altijd een beetje minder de meest rechtse persoon te zijn. Zijn buurman,
die dit opmerkte, week daardoor ook steeds meer af naar links, en zo verder. Zo
hadden die patrouilles de neiging te verfrommelen. Ik vind het een amusante
gedachte dat een eenvoudig geometrisch gegeven, gecombineerd met de angst van
die militairen, een ruimtelijke absurditeit tot stand kon brengen.’
PUZZELSTUKKEN VOOR EEN VERSCHUIVEND VERHAAL
In zijn onlangs verschenen prachtboek over de meesterwerken van de Vlaamse
Primitieven vertelt Dirk De Vos dat in de symboliek van de Middeleeuwse
schilderkunst niets een eenduidige betekenis had. De wereld van de dingen was
een veelvoud van vermommingen van Gods wezen. Een mogelijke goddelijke revelatie
kon enkel voortkomen uit een steeds complexer en dubbelzinniger wereldbeeld.
Hetzelfde geldt voor de schilderijen van de Vlaamse Primitieven. ‘Door een al te
literair speurwerk naar symbolen,’ schrijft De Vos, ‘heeft dit begrip echter
dikwijls geleid tot een systematiek van iconografische verklaring die eigenlijk
de geest van de visuele revelatie ontkracht.’
Er bestaat een zelfde misverstand over de droomleer van Freud, die ervan uitging
dat mensen niet zouden kunnen slapen als ze niet droomden. Volgens Freud werden
onze voorouders door zoveel gevaren bedreigd, dat hun geest hen tijdens de slaap
voor de gek moest houden opdat hun angst hen niet zou wekken. De droom heeft als
taak onze angsten zodanig te vermommen dat we kunnen doorslapen. Om hierin te
slagen mag de droom alle mogelijke trucs gebruiken, omkeringen, spiegelingen en
verwarringen allerhande, waaronder natuurlijk ook het tonen van de niet als
dusdanig herkende waarheid. (We kunnen de zaken ook minder teleologisch
voorstellen door te beweren dat de mens levensvatbaar is dank zij het feit dat
zijn brein in de war is als hij slaapt.)
We herkennen de ‘droomarbeid’ van Freud in Huizingas beschrijving van de
kleursymboliek in de 15de-eeuwse, Europese cultuur: ‘Onder al de kleuren hadden
vooral blauw en groen hun symbolisch gewicht, en die betekenis was zo bijzonder,
dat zij daardoor als kleuren van kleding bijna onbruikbaar werden. Beide toch
waren het de kleuren der liefde: groen verbeeldde de verliefdheid, blauw de
trouw. (…) Daar ligt meteen de verklaring, waarom de blauwe kleur, geveinsd
gebruikt, ook de ontrouw ging beduiden, en met een overspringing niet alleen de
trouweloze maar ook de bedrogene toekwam. De blauwe huik beduidt in het
Nederlands de echtbreekster, en de “cote bleue” is het gewaad van de bedrogene…’
Freud hielp zijn patiënten niet door hun dromen te duiden, maar door hen te
laten associëren op basis van hun dromen. Uit de hierbij optredende pogingen tot
ontkenning of camouflage probeerde hij dan zogenaamd dieper liggende waarheden
of verborgen angsten af te leiden. Wat hij eigenlijk deed, en in navolging van
deze wonderlijke charlatan duizenden volgelingen, was het construeren van nieuwe
verhalen die bij zijn patiënten emoties opriepen die eindelijk een naam kregen
of, anders gezegd, een nieuwe betekenis gaven aan oude woorden en zo nieuwe,
meer bruikbare verklaringen of duidingen van hun innerlijk leven en hun omgeving
mogelijk maakten.
Elke ideologie berust op een zelfde spel met mentale beelden dat een bepaalde
omgang met de werkelijkheid mogelijk maakt. Waarschijnlijk is de schilderkunst
van de Vlaamse Primitieven ontstaan als het ideale medium voor een reflectie
over het illusoire van de verschijningsvormen van de werkelijkheid en over de
manier waarop wij de werkelijkheid proberen te omknellen door te goochelen met
beelden.
Volgens mij vertrekt Michel François van een gelijksoortig besef van de
meerduidigheid van voorwerpen of beelden. Soms noemt hij ze symbolen, bij gebrek
aan een beter woord, maar eigenlijk zijn het intrinsiek betekenisloze
schaakstukken, texturen of lichtvlekken, die door elkaar geschoven worden om bij
de toeschouwer, en in de eerste plaats bij Michel François zelf, een nieuw
verhaal, nieuwe gedachten of nieuwe emoties op te roepen.
Montagne de Miel, 28 oktober 2002
|
 |
|
Thomas Dane Gallery, London, April 2008 |
|
|
 |
|
Thomas Dane Gallery, London, April 2008 |
|
|
 |
|
Thomas Dane Gallery, London, April 2008 |
|
|
 |
'Mad Drawing'
Thomas Dane Gallery, London, April 2008 |
|
|
 |
|
|
 |
'Contigu'
Thomas Dane Gallery, London, April 2008 |
|
|
 |
|
Thomas Dane Gallery, London, April 2008 |
|
|
 |
MC, Los Angeles, March 2008
Photo: Hans Theys |
|
|
 |
MC, Los Angeles, March 2008
Photo: Hans Theys |
|
|
|
MC, Los Angeles, March 2008
Photo: Hans Theys |
|
|
 |
Bortolami, New York, February 2008
Photo: Hans Theys |
|
|
 |
Bortolami, New York, February 2008
Photo: Hans Theys |
|
|
 |
Bortolami, New York, February 2008
Photo: Hans Theys |
|
|
 |
Bortolami, New York, February 2008
Photo: Hans Theys |
|
|
 |
Bortolami, New York, February 2008
Photo: Hans Theys |
|
|
 |
Bortolami, New York, February 2008
Photo: Hans Theys |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
|
|
 |
Bortolami, New York, February 2008
Photo: Hans Theys |
|
BOOK BY HANS THEYS

ESSAYS
Binnen zonder kloppen,
2006
Puzzelstukken, 2002
Jigsaw Pieces,
2002
Bol touw albi, 2002
Michel François in Holland, 1997
Rien dans les poches, 1996
ESSAY BY MICHEL FRANÇOIS
De plant in ons, 2002
TO AN EXTRA PAGE WITH PHOTOGRAPHS
OF EARLIER WORK BY MICHEL FRANCOIS
|