|
Monique Verelst (cv)
Tafels & tentakels
Literair museum Emile Verhaeren
St. Amands a/d Schelde
Le jour que m’abattra le sort,
C’est dans ton sol, c’est sur tes bords,
Qu’on cachera mon corps,
Pour te sentir, même à travers la mort, encor!’ (L’Escaut – Les Héros)
Interieurconcept en ruimtegebruik
Het uitgangspunt voor de inrichting van het interieur was het schilderij ‘de
lezing’ uit 1907 van Theo Van Rysselberghe. Dit 181 bij 241 cm groot doek en
eigendom van het MSK te Gent laat een integer gezelschap zien rond een tafel.
Zeven figuren lijken naar een toespraak te luisteren. De achtste, degene die hen
toespreekt is Emile Verhaeren.
Een tweede belangrijk element bij het concipiëren van het interieur was één van
Verhaerens dichtbundels ‘Les Villes Tentaculaires’. Deze 101 pagina tellende
dichtbundel werd uitgegeven bij Deman op 06 december 1895 en werd van
ornamentiek voorzien door Theo Van Rysselberghe.
Museografie (tafels)
Een tafel kennen we als meubel, als een object waaraan we eten, schrijven of
samen zitten. Als een fysieke plaats, een plaats van ontmoeting, discussie of
overpeinzing.
De tafels in het museuminterieur stellen tentoon, onthullen en verbergen. Ze
socialiseren, gaan een dialoog aan met de museumganger en verwachten van hem
meer dan een actieve deelname om het schrijversschap van de dichter te
ontdekken. Zo kan een schoolbankje een even goede aanleiding bieden met de
bezoekers eigen verleden op de schoolbanken, als tussen Verhaeren en het object.
De tafels vormen vervolgens ook een symbiose tussen de poëzie en het leven van
de dichter. Verhaeren en de bezoeker wisselen voortdurend van plaats. De
toeschouwer heeft het gevoel in een inferieur landschap te vertoeven en kan
volgens eigen ritme de ruimte zelf ontdekken, er ongehinderd in flaneren.
De tafels - die zowel letterlijk als figuurlijk de dragers zijn van de
tentoonstelling – vertellen individueel en collectief hun verhaal en baseren
zich hiervoor op Verhaeren’s levensloop en oeuvre.
De tafels als metafoor zijn een reflectie op zijn dichtstijl die evolueerde van
strak naar ‘vers libre’. Ze zijn een weerspiegeling van diens
omgeving/gemoedstoestand. Sommigen zwaarmoedig en lomp anderen als waren ze uit
de woordenschat van licht gemaakt. De meubels ondergaan een gewillige
metamorfose, sommigen lijken te groeien, anderen hebben de neiging te bewegen of
weg te lopen. De tafelpoten vertolken een cruciale rol. Als hoofdacteurs spelen
ze elk hun eigen spel; ze ondersteunen, verbergen, fluisteren,…
Museografie (Tentakels)
Bij het tot leven wekken van Verhaeren’s leven en werk, getoond doorheen de
conceptie van een tentoonstelling, vormt de tafel de architectuur van de
tentoonstelling. Het begrip ‘tentakel’ fungeert meer als het cement, de specie
dat alles aan elkaar houdt, de tentoonstelling doet opzwepen.
Het begrip is als geen ander gerelateerd aan de persoon van Verhaeren en kan dus
op verschillende manieren worden verklaard. In de eerste plaats verwijst het
naar diens dichtbundel Les Villes Tentaculaires. De boekverzorging is van Theo
Van Rysselberghe en bij het frontispice van de eerste druk valt meteen iets op.
De fraaie grafiek laat links onderaan het kader de verstrengeling zien van een
zeedier – vermoedelijk een octopus, alsook de typografie van de titel in
wijnrood blijft niet helemaal onberoerd.
De inhoud bevat een reeks gedichten dat een relaas wil geven over de verhouding
grootstad-platteland. Al in het eerste gedicht, La plaine – een weltschmerz –
voel je tussen de tekst door ontelbare tentakels uit de stad opreizen, die
bewoners uit het omliggende platteland uit hun omgeving trekken, het leven er
mee wegzuigen. Ook als lezer ontsnap je nauwelijks aan die omklemming:
Verder lezen
|