|
Thomas Bogaert
www.thomasbogaert.com
Hans Theys
De maan heeft geen schaduw
Enkele woorden over het werk van Thomas Bogaert
Inleiding
Vrijdag, 7 december 2001, vier uur ’s middags. Ik zoef in mijn bescheiden
gezinswagen van Gent naar Brussel en laat mij zoveel mogelijk afleiden door de
flikkerende cinema rond mij. De hemel is helder blauw. De zon gaat onder en
werpt duizenden langwerpige schaduwen die als onberekenbare projecties
ronddansen in oranje kleurvlakken. Links, op de betonnen jersey-ruiters die de
middenberm van de autosnelweg afbakenen, glijden donker gekleurde schaduwen van
de voor mij rijdende auto’s. Soms herken je in deze schaduwen ook de gesluierde
vlakken van de ramen, soms zelfs het silhouet van de bestuurders. Op de
achterkant van witte vrachtwagens slaat de ondergaande zon een wisselend spel
van licht en schaduw, soms in de vorm van voorbijglijdende schaduwen van een rij
populieren, soms als onherkenbare, diagonale, zwarte strepen, soms als heen en
weer dansende lichtvlekken, soms als een blikkerend oplichten. Op drie
opeenvolgende vrachtwagens zie ik drie keer hetzelfde fragment van een eindeloze
film. Op elk voertuig treft het beeld een verschillende achtergrond.
Thuisgekomen tref ik mijn achtjarige zoon Cyriel nog in warme kledij, want hij
is ook pas gearriveerd. Ik stel hem voor zijn Samoerai-zwaard te halen en in de
tuin naar beneden vallende suikerbieten te doorklieven. Hij zet zich schrap, ik
lanceer de bieten. Het geheim van een gelukte slag is dat een biet zich heel
traag voortbeweegt, frame per frame. Als je rustig genoeg bent en in gedachten
stapvoets meereist met de biet, kan je hem doorklieven waar je wil. Cyriel is in
goede vorm. De stukken biet vliegen in het rond.
Wij denken de maan heeft geen schaduw, maar haar schaduw hangt aan haar rug als
een kille matras. Zo hangt aan de rug van elk beeld een natte lap verdwenen
licht die soms vanachter tegen onze schedelkop plakt en koud naar beneden kruipt
onder ons vel.
Enkele uren geleden wandel ik met Thomas Bogaert naar zijn atelier in Gent. Na
enkele stappen wijst hij mij op de schaduw van een schouw op de gevel van een
belendend huis. ‘Dat is mooi,’ zegt hij, ‘die scheefgetrokken lichtgaten die
onder het dakje van de schouw doorkijken.’ Hij bukt zich en raapt een verroeste
speld op die hij een paar meter verder tussen de spijlen van een rioolrooster
laat vallen.
Verrekijkers
Bogaert heeft jarenlang gewerkt met verrekijkers. Een van de eerste vruchten van
deze bezigheid is een schilderij waarop zwarte lijnen de wisselende
slagschaduwen van een naar de toeschouwer gerichte verrekijker schetsen. De
toeschouwer kijkt recht in de lens, die wordt voorgesteld door een cirkel. De
verschillende lichtinval voor elke schets toont ons telkens andere schaduwen,
waar je soms heel duidelijk de vorm van de verrekijker in kan herkennen.
Een verrekijker toont altijd een fragment. De voyeur zoekt het fragment. Bogaert
probeert werken te maken met fragmenten. Niet zozeer omdat het stukjes uit
grotere beelden zijn, maar wel omdat ze een soort van tijdseenheid vormen. Elk
fragment bevat een brokje tijd. Eigenlijk is hij constant op zoek naar manieren
om een kort tijdsverloop in beeld te brengen.
Voor een tentoonstelling in Brussel projecteert Bogaert vier verschillende
filmlussen van binnenuit op een neerliggende, met zijn bovenkant naar de
toeschouwer gerichte parasol. Elke lus toont een kort tafereel dat zich heeft
afgespeeld op een strand, in de buurt van een parasol. Het onderste beeld toont
een man die staat te dralen. In het begin van het filmpje zie je hoe hij de hand
boven de ogen houdt om de zon af te schermen.
Voor een andere tentoonstelling gebruikt Bogaert sommige beelden uit dit filmpje
om er cirkelvormige foto-objecten mee te maken. Hij hangt de cirkelvormige
beelden naast elkaar in een onderbroken reeks, waarbij de lege plekken een
bepaald tijdsverloop oproepen. De cirkelvorm herinnert aan de verrekijker en
benadrukt dat de beelden werden gemaakt met een super-8 camera met telelens.
Voor een andere tentoonstelling maakt hij een werk met een drie minuten durend
filmpje van schaatsers op een bevroren vijver in Central Park. Door een defect
aan de camera is het filmpje wazig en ziet het er fantastisch uit. Er is
eigenlijk maar één scherp figuurtje: een in het rood geklede schaatser die een
pirouette maakt. Op een twaalf meter lange muur laat Bogaert cirkelvormige
uitsneden van dit filmpje het parcours van de rode danser uitstippelen. Tegelijk
is er ook een monitor waarop je het filmpje ziet, waarbij enkel bij het
verschijnen van de rode schaatser synchrone geluiden van krassende schaatsen te
horen zijn, zodat de aandacht van de kijker op de rode danser gevestigd wordt.
Beweging binnen een beeld
Momenteel loopt in de galerie van Jan Colle een tentoonstelling die op een
soortgelijke manier is voortgekomen uit enkele filmbeelden. Het uitgangspunt
wordt gevormd door een aantal korte super-8 filmpjes van rijdende
Matchbox-autootjes. In de tentoonstelling zijn drie verschillende werken te
zien.
Het belangrijkste werk is een reeks foto-schilderijen of foto-objecten waarop
stills van de rijdende autootjes te zien zijn. De stills worden afgedrukt op dun
papier en vervolgens op een geschilderde ondergrond geplakt door er polyester
over te gieten. Door de toevoeging van het polyester worden de lichte partijen
van de kopieën transparant, waardoor de verfstreken van de ondergrond zichtbaar
worden. De laklaag creëert een soort afstand ten opzichte van het beeld en maakt
het geheel ook af als voorwerp. Verder zijn er ook drie affiches te zien die
schijnbaar niets meer tonen dan de droog gefotografeerde onderkant van drie
autootjes. In werkelijkheid heeft Bogaert echter nieuwe woordjes toegevoegd aan
de inscripties in reliëf op de onderkant van de autootjes. Ten slotte is er ook
een projectie te zien van alle gebruikte super-8 filmpjes, die werden
samengevoegd tot een filmlus van een dertigtal seconden. De beelden worden
zodanig geprojecteerd op de plastic wand van de galerie dat de
Matchbox-autootjes op ware grootte te zien zijn.
In dit werk vinden we twee terugkerende elementen uit het werk van Bogaert
terug: het vertragen, opblazen en tot voorwerp maken van een klein aantal
beelden en de poging beweging te vatten in een of twee beelden.
Een andere reeks werken waarin deze elementen aan bod komen vertrekt van twee
filmpjes van een kabelbaan. Voor een eerste filmpje heeft hij een téléférique
met een rode cabine gefilmd in Barcelona. Voor een tweede filmpje heeft hij in
Oostenrijk de schaduw gefilmd van een cabine waar hij zelf in zit. Voor een
tentoonstelling in Antwerpen heeft hij de filmlus van de rode kabelbaancabine
geprojecteerd op verschillende ondergronden: een foto van de Mont Blanc, een
zeepschaaltje met de afbeelding van een bergtop, een reclamebord van Kodak en
een zwart-wit schilderij van een berglandschap. ‘De projectie met het
geschilderde berglandschap werkt het beste’, vertelt Bogaert, ‘wie lang genoeg
kijkt en zich genoeg kan ontspannen kan zich laten meevoeren door de cabine.
Ineens komen de bergen tot leven en ervaar je de beweging.’
Voor een komende tentoonstelling in Hasselt heeft Bogaert een aantal lenticular
prints gemaakt van het filmpje met de stijgende kabelbaan in Barcelona. Wie
voorbij zo’n print loopt ziet de cabine in drie opeenvolgende stappen stijgen.
Hier is het gelukt een tijdsverloop en een beweging in één beeld te vatten. Soms
probeert Bogaert dit door een groot deel van het beeld te laten verdwijnen,
omdat hij hoopt dat de kijker dan een deel van het beeld zal missen of het
fragment als een losgerukt stuk tijd zal ervaren, soms probeert hij
verschillende beelden te combineren, zoals met twee foto-schilderijtjes van een
naderend Matchbox-autootje, of zoals met de over het muurvlak dansende ronde
foto-schilderijtjes van de rode schaatser. Waarschijnlijk probeert hij ook iets
soortgelijks te bereiken met de projecties van de rode cabine, alsof het de
bedoeling is door de toevoeging van een bewegend beeld ook de achtergrond in
beweging te brengen.
De dag dat alles wegglipte in een beeld
De dag is zo helder vandaag, dat ik begrijp dat je niet naar het werk van Thomas
Bogaert kan kijken zonder je te onttrekken aan de schaduwen. De schaduw rond de
parasol, de schaduwen van de verrekijker, de schaduw van het skizitje met
passagier, de schaduwen van de Matchbox-autootjes, enzovoort. Overal duiken
schaduwen op die ons meer proberen te tonen dan het beeld op het eerste zicht
wil prijsgeven. De schaduw toont ons de onzichtbare zijkant, achterkant of
onderkant van het beeld. De schaduw vertelt mij dat Bogaert iemand is die
voortdurend bezig is met kijken. Zijn werk gaat in de eerste plaats over kijken,
daarna over voelen. Bogaert voelt met zijn ogen.
Ik hou van de manier waarop hij twee of drie beelden uit de omgeving plukt,
isoleert en uit hun tent probeert te lokken. Ik hou van de zachte manier waarop
hij over zijn werk praat. Ik kijk naar het uitgesneden fotootje van zijn zus en
ik voel de schaduw van mijn jeugd als een dode frak op mijn rug hangen. De
glanzende polyesterlaag op zijn foto-schilderijen doen mij denken aan de
Romeinse villa die Ann Veronica Janssens aan de binnenzijde met glazen platen
heeft bekleed om het gebouw op te lossen. Ik denk ook aan de films van Marcel
Broodthaers, die op een hopeloze en toch grappige manier proberen vol te houden
dat een bewegend beeld niet bestaat en ik denk aan de zeefdrukken van Warhol die
met hun slechts schijnbaar repetitieve beelden een siddering door een vlak
kunnen trekken. Ik herinner mij hoe ik als veertienjarige zelf generieken met
voorbijrijdende, botsende en in brand vliegende Matchbox-autootjes animeerde met
een super-8 camera en met mijn duim heen en weer wrijvend over de onderkant van
een denkbeeldig autootje in mijn broekzak kijk ik toe hoe Bogaert uit
gelijkaardige ervaringen nu nog geldende, sterke beelden probeert te trekken.
Ik denk dat ik voel wat Bogaert wil zeggen als hij vertelt dat hij graag
autorijdt. ‘Een autocar is een rijdende camera waar ge in kunt zitten,’ heb ik
eens geschreven. Wie voor zich kijkt in een rijdende auto reist mee in een
voortdurende zoombeweging. Soms zouden we uit onze hoofden willen zeilen in een
zwevende cabine en langzaam zachtjes pijnloos weggegomd worden tussen de korrels
van het rond ons verglijdende beeld. Soms zouden we die wens willen vastleggen
in beelden die naar ons kijken vanachter vensters. Soms dromen we dat we zelf
een venster zijn en niet meer voelen hoe de beelden aan ons trekken en in onze
hersenen komen peuteren. Soms zijn we zelf een beeld geworden en is alles toch
nog goed gekomen.
Montagne de Miel, 10 december 2001
|
|
ESSAYS BY HANS THEYS
De maan heeft geen
schaduw, 2001
Een tovertapijt met vensters, 2002
|