|
Vaast Colson
(cv)

Hans Theys
De ridder is het fabeldier
Enkele woorden over het werk van Vaast Colson
Situatie 1: Tijdens een vernissage schuiven de toeschouwers aan op een
steiger die in het midden van de tentoonstellingsruimte staat. Om beurten kunnen
ze hun lichaam door een pas geboord mangat in het betonnen plafond wurmen om te
kijken en luisteren naar een persoonlijke voorstelling (muziek, video, dia’s,
tekeningen, etc.). Ik vraag aan Frederik Vergaert van Lokaal01 of ik even naar
boven kan, om de acties te filmen. ‘Je kan niet naar boven,’ antwoordt hij,
‘want ze hebben de trap weggenomen.’
Situatie 2: Vanaf de straat zie je door een groot raam op de begane grond hoe de
helft van een vertrek tot op heuphoogte in beslag wordt genomen door een
‘mixtape-module’: een podium van gevernist multiplex waarin een met oranje-bruin
gestreepte stof beklede staanplaats voor de dj is uitgespaard en waarin op twee
met hetzelfde textiel overtrokken banken Vaast Colson en Lieven Segers met
kleurstiften hoesjes tekenen voor de tapes die op hetzelfde moment gemixt werden
door uitgenodigde dj’s. Wie de ruimte betreedt, staat tegenover een massieve
vorm die de helft van het vloeroppervlak en ongeveer een zesde van het
kamervolume inneemt.
Situatie 3: In het Leuvense Stuk vindt een hommage aan David McComb plaats.
McComb is de oprichter van de Australische muziekgroep The Triffids. Colson, die
zijn kinderjaren in Australië heeft doorgebracht, bouwt een scheerschuur
(shearing shed) van ruwe planken (overlangs doorgezaagde boomstammen). ‘s Nachts
lost het dak van metalen golfplaat op in het licht van een felle schijnwerper
die hoog aan de gevel van een belendend gebouw is bevestigd als een zon. Binnen
dwingt een gareel de bezoeker naar de uitgang. (De schuur heeft twee deuren.)
Een diaprojector toont dia’s van twee jongens die door Australië trekken met hun
ouders, poserend naast de auto, geposteerd voor bezienswaardigheden. (David
McComb en zijn broer Rob of Vaast Colson en zijn broer Stijn?) Naast de
diaprojector liggen blanco hoesjes, een reliëfplaat en kleurpotloden waarmee de
toeschouwer zelf kaftjes kan rubben voor twee verschillende mixtapes die in de
mixtape-module in Antwerpen werden gemixt door twee Triffidskenners en hier
verkocht worden. Van buitenaf ziet de schuur eruit als een maquette. Het
binnenplein en de omliggende ruimte krijgen een andere schaal.
Situatie 4: Colson noteert een gebruiksaanwijzing voor een sokkel op een blad
papier, wikkelt dat rond een steen en gooit de steen door een ruit van het
kunstencentrum. De brief bevat de opdracht een sokkel van die en die afmetingen
te bouwen en te gebruiken om de steen tentoon te stellen op de plaats waar hij
terechtgekomen is.
Situatie 5: Ik vergezel Colson en Segers naar een stoffenwinkel om hen te
filmen. Ze zijn op zoek naar een lap textiel waarmee ze een dertig meter lange,
houten koker kunnen bekleden. De koker moet vertrekken aan een raam op de eerste
verdieping van Lokaal01 en in de tuin uitmonden in het turkooiskleurige busje
van Lieven Segers. De actie zal twee dagen later plaatsvinden. De koker moet nog
gebouwd worden. De moeder van Colson, die al zijn naaiwerk verricht, moet nog
een velcro-strip op de stof stikken…
In de winkel zijn duizenden stoffen te koop. Overal herken ik stalen die door
hun kleur en patroon aansluiten bij de beelden die Colson eerder heeft gemaakt.
We zijn op wandel in het paradijs van de ready-made textuur. Het is een lusthof,
een ontplofte doos met eindeloze combinatiemogelijkheden. De opzet is
overdonderend. Zoveel beeldmateriaal en zo gemakkelijk te verkrijgen! Colson
keert voor de vierde keer terug naar de gequadrilleerde, groene stof die er het
best uitziet en trekt het textiel krachtig uiteen tussen beide handen. ‘Teveel
Barnett Newman,’ zegt Segers. ‘Niet sterk genoeg,’ zegt Colson, ‘als de stof
niet overal even strak kan aangetrokken worden, verliest het motief zijn kracht…
En het is te duur.’ En even later: ‘Ik maak niet graag esthetische keuzes. Ik ga
meer voor de stevigheid en de goedkoop.’
Colson frappeert door zijn economie. De voorwerpen, materialen, beelden,
texturen, kleuren, klanken en ruimtes moeten het beeld dienen. Hij past beelden
ineen als precieze puzzels. Het zoeken en tasten gebeurt vooraf. In het daglicht
wordt beslist, gesneden, gekozen. Geen omwegen. Het overtollige wordt
verwijderd. Het wordt niet nodeloos versleept, verwerkt of vermomd. Het wordt
niet ontkend. Het staat hier voor onze neus en het moet weg, want het belemmert
ons uitzicht. Colson snijdt samples uit de wereld en mixt uitgebeende muziek van
beelden.
Uiteindelijk wordt geen houten koker gebouwd. Wel worden vier staalkabels
opgespannen die de ribben van een balkvormig volume vormen. De stof wordt rond
deze kabels gespannen. De kabels zitten met prachtige, oranje singels vast aan
een naar voor gebogen, metalen hoofd dat in de voortuin van Lokaal01 staat. Het
lijkt alsof het hellende hoofd de koker strak houdt.
Het is avond. Frigomannen in witte laboratoriumpakken die lichtblauw en felroze
opglanzen in het licht van verborgen neonbuizen lopen achter de ramen van de
eerste verdieping op vensterbankhoogte heen en weer en steken kleine
sculptuurtjes ineen die in witte, piepschuimen bollen gestopt worden. Vervolgens
laten de kunstenaars de witte bollen door de koker naar beneden rollen. De
sculpturen in de bollen zijn handleidingen voor het maken van een sculptuur. In
het Frigobusje, dat naast de monding van de koker staat, ligt materiaal klaar
voor toeschouwers die zelf vormen willen maken. Er is ook muziek, of klank,
industriële ambient-muziek, soms harde, vaak zachte, eindeloos terugkerende
machinegeluiden (Neon Hunk, Merzbau en Lightning Bolt). Er hangt een betoverende
sfeer. In het busje zitten kinderen, vrouwen en mannen te knutselen en te
broddelen. De tentoonstellingsruimte is leeg gebleven. Via het gebouw kan je
niet tot bij het laboratorium komen. Je hoort alleen de muziek. Op de begane
grond staat een sokkel met daarop een steen, vergezeld van een handleiding.
Situatie 6: In een vorig jaar voor Lokaal01 gemaakte installatie wandelden de
toeschouwers door een bijna fluorescerend witte ruimte waar doorzichtige,
soepele plastic buizen uit het plafond kwamen en in de vloer verdwenen. Door die
buizen liepen gekleurde vloeistoffen naar beneden die door Colson, die de
machine bewoonde, in de zolderruimte boven de toeschouwers werden gemengd en
uitgegoten. Dan klom hij naar beneden en zwom via een met water gevulde sifon
naar de kelderruimte, waar de verf opgevangen werd in plastic zakjes die,
dichtgeknoopt, weer naar boven werden gebracht om opnieuw gemengd en in de
trechters gestort te worden. De toeschouwers wandelden in het hoofd van de
schilder.
Situatie 7: Een grappige, anderhalve meter hoge taartpunt van matrassenschuim in
drie lagen: lichtblauw, wit, lichtblauw.
Situatie 8: Een prachtige houten constructie in de Kunst Nu ruimte van het
S.M.A.K. Bovenin bevindt zich een zolderruimte, waar Colson 22 uur lang de met
jute beklede wand van houten latten met gips prepareert voor het schilderen van
fresco’s. Hij gaat gekleed als Michelangelo. De performance wordt gefilmd door
Lieven Segers en in de boekenwinkel rechtstreeks uitgezonden, nadien in de vorm
van tapes van een uur verkocht. Binnenin de zwevende constructie: twee heuphoge
rekken gevuld met alle props van de acties, tentoonstellingen en ingrepen van de
voorbije vijf jaar. Een retrospectieve blik, om te lachen en serieus. Een
prachtig, strak beeld. Dan wordt Cis Matthé uitgenodigd, die zich ook 22 uur
laat opsluiten in de sculptuur en een toneelstuk voor drie printers schrijft.
Situatie 9: Een sculptuur uit 1999 draagt als titel Het gevaar schuilt in zijn
voeten. Op de grond tegen de muur staan twee grote bijlen met het snijvlak naar
de toeschouwer gericht. Het bovenste stuk van hun handvatten is rood. Een stukje
van dat rood is nog net zichtbaar onderaan de rand van een lap textiel met een
motief van groene en witte vierkantjes. Het textiel hangt over de bijlstelen als
een rok, maar werd opgehangen als een gordijn. Achter het textiel priemt iets.
Een lange neus of iets anders. Het beeld doet mij denken aan Robin Hood die zich
heeft vermomd als ooievaar. Het vertelt iets zonder dat je weet hoe, wat of
waarom.
Elk werk van Colson noodt tot herkenning van iets dat je nog nooit eerder bewust
hebt gezien. Het is als dromen terwijl je wakker bent. Je brein voelt dingen
zonder vaste vormen, die opgeroepen worden door wat je ziet of hoort. Je
begrijpt er niets van. Je wordt aangetrokken door tovenarij, door
gebeurtenissen, handelingen, voorwerpen en beelden die je niet begrijpt, die je
niet kan plaatsen, maar die vertrouwd overkomen. Je hebt geen zin verklaringen
te bedenken of naar redenen te zoeken. Je zou dit toverachtige onbegrip voor
altijd willen vasthouden, je hoopt dat de kunstenaar zelf ook niet weet waar hij
mee bezig is (ook al weet hij wel wat hij moet doen en hoe hij de dingen moet
aanpakken), zodat het gebeuren ons nog lang zal ontsnappen.
De vernissage van Damien De Lepeleires tentoonstelling Portraits of Killers. Ik
sta te praten met Anne Pontégnie. We zoeken naar een moment van overeenstemming
om daarna met gerust gemoed te kunnen zwijgen. We hebben al een paar jaar niet
meer met elkaar gesproken. Ik zeg dat ik genoten heb van de waanzin en humor van
Sabbath’s Theater en dat ik de passages over de dode broer in tranen heb
gelezen. Het verborgen motief voor de razernij van de acentrische gek blijkt de
verdwijning van zijn broer te zijn. Pontégnie knikt. Ze vertelt dat ze erg
gesteld is op American Pastoral. Ik antwoord dat ik blij was verrast te worden
door de perspectiefwisselingen in die roman. Hoe de dochter ineens iemand anders
blijkt te zijn dan we tot dan toe hebben gedacht, omdat we haar enkel kennen
vanuit het gezichtspunt van de vader. (De irrationele beperktheid van onze blik
en ons zogenaamde denken.) ‘Het is een boek over een vader en een dochter,’ zegt
ze, ‘dat komt niet vaak voor, boeken gaan vrijwel altijd over vaders en zonen.’
Ik denk aan Daan van Golden en aan Vaast zijn Kippenberger-schilderijen.
Pontégnie vertelt dat ze gehuild heeft tijdens haar bezoek aan de grote
Kippenberger tentoonstelling in Nederland. Ik doe het verhaal van een
ochtendlijk bezoek aan de Broodthaers-tentoonstelling in het Jeu de Paume, toen
ik ineens de al te luide stilte hoorde in dat solitaire knip- en plakwerk. ‘Ja,’
zegt ze, ‘er is een verwantschap met Broodthaers.’ We zwijgen. De beelden
schuiven door elkaar in onze hoofden. En dan vertellen we verder over dingen die
ons geraakt hebben. (Het werk van Colson raakt mij.)
Situatie 10: In 2001 bouwde Colson met multiplex een Nieuwe galerie binnenin de
bestaande galerieruimte van de Maes & Matthijs Gallery in Bornem. Het houten
vertrek had een vloer, een plafond en wanden die zich op 70 cm van de
galeriemuren bevonden, zodat er rond de sculptuur een wandelgang ontstond.
Elders in de galerie bevond zich een klein kamertje waar je tijdens de
tentoonstelling kon kijken naar de videoregistraties van drie acties die voor de
opening van de tentoonstelling hadden plaatsgevonden, zonder publiek. Een vierde
actie bleef ongedocumenteerd.
In de eerste video zien we Colson ondersteboven in leren beugels aan het plafond
van de Nieuwe galerie hangen. Achter hem is de wand van multiplex onzichtbaar
ingepapt met behangerslijm. Naast hem, op de houten vloer, staat een monitor
waarop we een in lus gemonteerd fragment van een didactische ‘Iedereen kan
schilderen’ video zien. In deze video legt de meester uit dat de
aspirantschilder moet leren zich in te leven in zijn onderwerp. ‘When I’m
painting clouds, I’m thinking clouds,’ zegt hij, en dan, met een bang makend
stemmetje: ‘I’m a cloud! I’m a cloud!’ Colson probeert, ondersteboven hangend,
met zwarte verf een vleermuis te schilderen op de vloer van de Nieuwe galerie.
Wanneer het beeld bijna af is, wordt hij beschoten met een confettikanon. De
confetti blijft kleven aan de ingepapte wand, waardoor Colsons
vleermuis-silhouet als een uitgespaarde vorm leesbaar blijft. ‘Als een
footprint,’ vertelt hij, ‘als een voetstap in de sneeuw, een logisch gevolg van
een simpele, gebundelde handeling.’ De actie wordt gefilmd als een grove
registratie van een performance.
De tweede actie heette Pro Spotlight, naar een rubriek in een bekend skatersblad
waarin beroemde skaters gevraagd wordt naar hun favoriete muziek, kleding,
televisieprogramma’s, etc.
‘Een skatemerk is zoals een literaire uitgeverij, een muzieklabel of een
galerie,’ vertelt Colson, ‘het is een stal die regelmatig meetings organiseert
om zijn professionals te presenteren, net zoals galerieën ‘hun’ kunstenaars hun
nieuwste trucs laten demonstreren. Mijn broer Stijn en ik waren fervente
skaters. We bezochten skateparken, lazen skateboekjes en keken naar skatefilms.
Deze actie komt voort uit die hele skateboard-cultuur en verwijst naar de foute
skate-films uit het begin van de jaren negentig, waarin overvloedig montagetrucs
werden gebruikt, bepaalde beelden tot tien keer werden herhaald, enz. waarbij je
eigenlijk zelfs niet goed kon zien wat er eigenlijk gebeurde.’
Aan de twee uiteinden van de L-vormige ruimte plaatst Colson twee uit dik MDF
gesneden en met stof beklede letters A en B. (De stof is namaakbont met een
zilveren en zwart motief dat aan een tijgervacht doet denken.) In de hoek van de
L-vormige ruimte wordt een hipramp geplaatst: twee quarterpipes die samen een
hoek van negentig graden vormen, zodat de skater die over de bovenrand glijdt
een hoekige bocht kan nemen. (‘Door die hoek wissel je in de lucht van richting,
dat is heel grappig.’) Daarna wordt een pot oranje verf leeggegoten op de vloer
en skate Colson herhaaldelijk van punt B naar punt A en terug. Op de vloer
tekent zich een streng van oranje slierten af. De actie wordt gefilmd en
gemonteerd tot een filmpje dat doet denken aan de heldencultus in het
skate-milieu. Tijdens de tentoonstelling kunnen de toeschouwers in het kleine
kamertje naar deze registratie kijken. In de Nieuwe galerie rust het skatebord
tegen de letter A, aan de grond vastgekoekt door de oranje verf.
Voor de derde actie staat in de tuin van de galerie een ringsteekspel opgesteld:
een vijftien meter lange rail die op twee meter hoogte vertrekt en leidt naar de
muur van de galerie, waar een rond gat in werd geboord. Over die rail snelt een
namaakpaard met daarop een als ridder uitgedoste Colson, luisterend naar de naam
Widu Gasti, die een zwarte, een gele en een rode ring aan zijn lans rijgt en in
dezelfde beweging de lans in het gat in de muur plant. Tijdens de
tentoonstelling is de lans te zien zoals ze bevroren is na haar doorboring van
de galeriemuur en de houten wand van de Nieuwe galerie. In de gang rond de
Nieuwe galerie stuit je op het handvat met de drie ringen, in de Nieuwe galerie
steekt de lanspunt als een minimale sculptuur zo’n anderhalve meter uit de wand.
De vierde actie werd niet geregistreerd. Net zoals bij Preparing the Mural, toen
Colson 22 uur lang, gekleed als Michelangelo, fresco’s prepareerde in de
zolderruimte van zijn installatie in het S.M.A.K. , bleef hij in Bornem op
locatie leven en overnachten zoals de oude meesters, waarbij hij ‘s nachts met
glinsterende nagellak de contouren van de vlammen van de houten wanden
overschilderde.
In zijn geheel doet deze tentoonstelling denken aan Duchamps pogingen een
kunstwerk te maken zonder zich door iets anders dan het toeval te laten leiden,
bijvoorbeeld toen hij de Stoppages étalon maakte, omdat hij ervan overtuigd was
dat kunstwerken weinig vertelden, snel verouderden en uiteindelijk verdwenen
door hun verbondenheid met esthetische overwegingen. Ik zie een overeenkomst
tussen de oranje kriebelingen met puntoren, de mislukte afbeelding van een
vleermuis op de vloer en de zwarte krabbeltekening op het wapenschild van de
ridder Widu Gasti. Alledrie rommelige tekeningen, die contrasteren met de
heldere ‘footprint’ in het confettiveld. Ik vraag Colson waar de tekening op het
blazoen vandaan komt. ‘Ik heb een zwarte alcoholstift in mijn anus gestoken en
daarmee proberen te tekenen,’ vertelt hij, ‘en je hebt gelijk, daar kwam
eigenlijk een derde vleermuis uit’. Ik heb dat toen ‘Belgisch anaal fabrikaat
van hoge kwaliteit’ genoemd, naar analogie met een opschrift dat ik ergens had
gevonden.
Sinds zijn opleiding als schilder heeft Colson geen schilderijen meer gemaakt,
omdat hij het gevoel had in een atelier weinig meer te kunnen doen dan nadenken
over wat het eigenlijk betekent schilderijen te maken. De intensiteit die hem
beviel in het werk van andere kunstenaars leek buiten zijn bereik zolang hij in
het atelier bleef. Zo ontdekte hij dat hij met acties, waarbij hij als
kunstenaar direct tegenover andere mensen staat, tot een intensiteit kan komen
die zich uit in de manier waarop de toeschouwers omgaan met wat ze hebben
gezien. De kracht komt van het gedeelde moment, dat daarna voortleeft in de
toeschouwer.
Colson heeft respect voor kunstenaars die zich terugtrekken in hun atelier en
proberen te controleren wat ze wel of niet toelaten in hun wereld en zo tot een
eigen visie proberen te komen (zoals zijn kompanen Nick Andrews en Tom Liekens),
maar zelf wil hij eerst ondervinden hoe hij schilderijen, objecten of beelden
kan opladen, zodat ze in een confrontatie met een toeschouwer in een
tentoonstellingscontext meer zouden zijn dan het resultaat van esthetische
oefeningen. Hij probeert uit te vinden hoe je als kunstenaar tot inhoud en
intense beelden kan komen door vanuit persoonlijke verhalen te reageren op
bepaalde situaties.
Nu denkt hij dat mensen die een beetje meer informatie krijgen ook ontvankelijk
kunnen zijn voor een inhoudelijke lading die niet meteen zichtbaar is,
bijvoorbeeld in schilderijen. Hij weet ook beter wat voor hemzelf telt. De
voorbije vijf jaar heeft hij tientallen acties en installaties opgezet en
uitgevoerd in België, Nederland, Frankrijk en Duitsland. Bijna dreigt ook daar
een routine. Ook hier ontstaat een verwachtingspatroon bij organisatoren en
toeschouwers dat, gecombineerd met de beperkingen van de sites, bijna even
dwingend wordt als de grenzen van het schilderen.
Zo kwam hij op het idee toch nog eens te schilderen, zonder te vergeten dat je
geen vernieuwende schilderijen kan maken als je er niet dagelijks me bezig bent.
SITUATIE 11: HELENA: THE PAINTINGS MARTIN COULDN’T PAINT ANYMORE
1 september 2004. Colson heeft zich voorgenomen op twaalf dagen tijd twaalf
schilderijen te maken voor een galerietentoonstelling in Antwerpen. De
deuropening die toegang verschaft tot de tentoonstellingsruimte is afgesloten en
dichtgepleisterd. De toeschouwer bereikt de tentoonstellingsruimte via de
halfduistere, met donkerbruin tapijt afgewerkte kelderverdieping, waar aan de
linkerzijde licht valt door een vide, waar een bekisting van multiplex en een
nieuwe trap in werden gebouwd.
‘Ik wil dat die houten kast door de opening naar beneden druipt en de twee
ruimtes verbindt,’ vertelt Colson, ‘dat wekt spannende verwachtingen.’
Colson ontdekte het werk van Kippenberger in 1997 toen hij in de boekhandel
Copyright regelmatig op zoek ging naar beelden en daar de pas verschenen groene
catalogus ontdekte.
‘Dat groen is echt wansmakelijk,’ lacht hij. ‘Maar mijn ontmoeting met het werk
van Kippenberger was als een thuiskomst. Kippenbergers werk, als schilderkunst,
deed denken aan dat van Walter Swennen, op esthetisch vlak, en het vroege werk
van Sigmar Polke, op het vlak van de persoonlijke betrokkenheid die uit de
schilderijen lijkt op te doemen. Swennens werk kende ik door jouw
Muhka-catalogus uit 1994, die ik als zestienjarige in de bibliotheek van
Turnhout heb aangetroffen… Ik hou het meest van het begin van catalogi,’
vervolgt hij, ‘omdat je daar in de smoezelige zwart-wit foto’s en slecht
bewaarde documenten van de beginjaren nog iets kan opsnuiven van de
oorspronkelijke inzet van de kunstenaar. Meestal verdwijnt die drive met de
jaren… Zoals Hartung veertig jaar bezig bleef met vormexperimenten… Dat zou ik
niet kunnen.’
Het werk van Kippenberger lijkt die oorspronkelijke geladenheid niet alleen te
bewaren (zijn werk lijkt bijna nooit 'zomaar esthetisch' te worden), het lijkt
er ook over te berichten. ‘Elke kunstenaar is een mens,’ zegt Kippenberger, de
bekende uitspraak van Beuys omkerend. Colson vindt in Kippenbergers werk een
mens. Bovendien vertelt het werk ook over de manier waarop een kunstenaar kan
omgaan met zijn persoonlijk leven en hoe je daar beelden uit kan trekken zonder
je te beperken tot een huishoudelijke anekdotiek.
De reeks Jacqueline: The Paintings Pablo Couldn’t Paint Anymore vertrekt vanuit
Kippenbergers thuiskomst in het werk van Picasso, die voor de gelegenheid bij
zijn voornaam aangesproken wordt, als mens dus, en niet als onnavolgbaar
kunstenaar. Er is geen sprake van navolging, maar van een ontmoeting.
Kippenberger schildert portretten van Picassos echtgenote Jacqueline, omdat
Picasso het niet meer kan doen. De schilder zet de traditie voort. Er is geen
breuk. De zoon volgt de vader op. Maar als de vader onnavolgbaar is, gaat de
zoon op zoek naar een nieuwe mens in zichzelf.
Colson vergelijkt het schilderen van deze portretten met een actie van twee jaar
geleden, toen hij in het Zwitserse Grächen op zoek ging naar een steen die hij
in de zomer van 1988 tijdens een wandeling had moeten achterlaten van zijn
ouders. Het was iets dat hij moést doen.
Hij beschrijft hoe je, na langdurige omgang met het oeuvre van een kunstenaar,
sympathie kan gaan voelen voor de persoon die achter dat werk schuil gaat. Het
was voor hem belangrijk te beseffen dat Kippenberger al overleden was toen hij
diens werk ontdekte. Een persoonlijke ontmoeting was onmogelijk, maar ook
ongewenst. De artistieke ontmoeting was permanent.
Colson besluit die ontmoeting een leesbare vorm te geven in een reeks portretten
van Kippenbergers dochter Helena. Hij zoekt haar telefoonnummer op en
telefoneert haar. Ze is enthousiast. Hij zoekt haar op in Keulen en maakt
foto’s. Hij keert terug naar Antwerpen en begint te schilderen.
Op dit moment, terwijl ik dit schrijf, bewerkt hij een schuin liggend,
fluorescerend oranje geschilderd doek door er zachtjes een emmer water over uit
te gieten.
De zoon zoekt een nieuwe mens in zichzelf. Hoe beginnen we te zoeken? We
beginnen met de kopie. In den beginne was de kopie. Ons brein is een
kopieermachine. Wij zijn kopieermachines. We leren door imitatie. Proust oefende
zijn pen door het schrijven van pastiches. ‘De Chinese kunstenaars hadden een
goede oplossing gevonden voor het probleem van het zogenaamde onderwerp van hun
kunstwerken,’ vertelt de schilder Damien De Lepeleire, ‘ze kopieerden het werk
van de meesters. De meesters, op hun beurt, ontleenden hun onderwerp aan de
natuur: een berg, een boom of een rivier. De persoonlijkheid van de kunstenaar
toonde zich niet in de zogenaamde oorspronkelijkheid van het onderwerp, maar in
zijn vermogen het onderwerp tot leven te brengen in de penseelstreek. De
leerling probeerde de meester zo goed mogelijk te kopiëren. Als hij een
persoonlijkheid had, dan kwam die wel vanzelf te voorschijn. ‘Jonge kunstenaars
zijn bang andere kunstenaars te imiteren,’ zegt Gerard Reve, ‘maar je kunt niet
anders dan imiteren. Als je talent hebt, dan komt het wel tevoorschijn.’
Toch heeft deze actie van Colson weinig te maken met de kopie of de pastiche.
Hij mixt beelden zoals musici klanken mixen. De werken van Kippenberger zijn
behalve geladen relicten van ervaringen ook louter beeldmateriaal, zoals de
patronen van gordijnstoffen in een stoffenwinkel. Waarom nieuwe patronen en
texturen uitvinden als er al zoveel bestaan en ze bovendien tot in het oneindige
gecombineerd kunnen worden? Beelden zijn als gitaar-riffs: als ze effect
sorteren zijn ze in orde. Er wordt niet eerst gezocht naar emoties die tot
uitdrukking gebracht moeten worden. Beelden hebben evenmin een programma nodig
als muziek. Het gaat om de gedachten en gevoelens die ze oproepen. Colson weet
dit en verliest geen tijd met nodeloze romantiek. Hoe harder en scherper het
beeld, hoe beter. Het gaat om het statuut van het object. Houdt het stand? Wordt
het niet 'louter esthetisch'? Blijft de inzet voelbaar? Kan de kunstenaar de
schilderijen tenslotte alleen laten en hun plan laten trekken in de gesprekken
met de toeschouwers?
SLOT
Vaast Colson bewondert Kippenberger. Ik ben een bewonderaar van Vaast Colson. Ik
ben blij iemand te kunnen bewonderen die jonger is dan ik. Pascal merkt ergens
op dat bewondering dodelijk is. Hij heeft gelijk. Ik gebruik het verkeerde
woord. Het gaat niet om bewondering, het gaat om een thuiskomst. Sommige
kunstwerken, heel zelden ook mensen, roepen in mij het gevoel op niet helemaal
geïsoleerd te zijn. Iemand anders voelt en denkt zoals ik. Iemand heeft iets
vergelijkbaars meegemaakt en erover bericht. Achter de bewegingen, de stemklank,
de gebaren of de werken van een persoon trilt een raster dat overeenstemt met
mijn onbewuste manier van kijken of voelen.
Het raster van Kippenberger is dat van een in drie dimensies gestort, verknipt
lappendeken, de heterocliete, door Borges beschreven stad van de onsterfelijken,
het eeuwige openluchttheater van Oklahoma (The Happy Ending of Kafka’s Amerika),
waar droom, gedachte en handeling samenvallen, waar een sculptuur tegelijk
tekening en kleur is en een schilderij architectuur wordt, als een ineengestorte
kruising tussen een mislukte plant, een modernistisch meubelstuk en een
opgezwollen tuinkabouter met kleren uit het verkeerde televisiefeuilleton.
Littekens, bebloed verband, neuzen, gezichten, reclame uit damesbladen,
opschriften allerhande, scheve, ondersteboven hangende trappen. De verplaatsbare
ingang van een metrostation, een vreemde, met veelkleurige vakjes versierde,
reusachtige puntmuts waaronder in groene en grijze tinten geschilderde mensen
schuilen of verstikken, de door bloed, stront, pijn en een verschoven lay-out
besmette en vervormde zelfportretten, de eenzaamheid, altijd komisch en droef,
zotte seks, plezante schilderijen, afbeeldingen of evocaties van omgekeerde
figuren die hun Grond laten zien of skelet geworden lichamen, veel wansmaak,
vrijheid…
Oliver Sacks beschrijft ergens dat de medische wetenschap er enkele decennia
geleden van overtuigd was dat het Syndroom van Gilles de la Tourette niet meer
bestond. Amper enkele uren nadat hij voor het eerst gehoord had over dit
syndroom, merkte hij tijdens een wandeling door New York meteen drie mensen op
die duidelijk aan deze ziekte leden. Een van deze mensen was het ergste ‘geval’
dat hij sindsdien heeft gezien: een persoon die om de twee à drie seconden een
voorbijganger feilloos imiteerde en op een bepaald ogenblik, in een zijstraat,
tot een uitbarsting kwam, waarbij het lichaam alle pas geaccumuleerde beelden
uitbraakte in een convulsieve reeks gebaren. Het werk van Kippenberger deed mij
denken aan dit verhaal. Een stroom van opgenomen en weer uitgebraakte beelden.
Het werk van Kippenberger is blind. Het is ontploft. Het ademt. Het is
hartstochtelijk. Het is op een vrolijke manier archiverend. Het is de stijve
catalogus van een barbaarse verwondering, opnieuw geplakt met lijm en schaar en
daarna overgeschilderd.
Elke kunstenaar creëert zijn eigen voorgangers, zoals Borges al schreef over
Kafka. Ik blader door een catalogus van Kippenberger en stel een portret samen
van Vaast Colson zoals ik hem tot nu toe heb ervaren. Ik mix de gekleurde
puntmuts met het metrostation Lord Jim en met het schilderij waarop je een hand
ziet die met een stoffer een gat afstoft dat zich in een met mortelspecie
beklede muur bevindt, de gekleurde strepen als basislaag voor de schilderijen,
de afgezakte broek (Down with Inflation), de machines-stellingen-apparaten (het
système D van Swennen), de Diepe keel, Knechte des Tourismus (met levensgrote,
pluchen Goofy), de Deutscher Eierknaller en Motörhead (Lenny) 2.
Colsons voornemen schilderijen te maken die Kippenberger niet meer kan maken
doet denken aan de wonderlijke fantasieën van Paul Auster, die een schrijver
bedacht die de oudere jaren van Oliver Twist beschreef. Zo beschreef Jean Rhys
de jeugd van Grace Poole, de zottin in het kasteel van Jane Eyre. In het kasteel
van Kippenberger woont een gestoorde tuinkabouter met een neus als een geruite
pantoffel, ontsnapt uit het gesticht van Magritte, en met de olijke
tandpastasmile van Mickey Mouse. De confidence man van Melville wisselt voor
onze ogen om de vijf seconden van gedaante, eerst op zijn gemak, daarna als een
flippend cadavre exquis: de benen van de clown ontmoeten de romp van de
circusdirecteur die bekroond wordt door het hoofd van de trapeziste. De
galopperende ridder met het veelkleurige blazoen en de getrokken lans is het
fabeldier dat zichzelf achtervolgt.
Montagne de Miel, 3 september 2004
Naschrift, gedaan op 26 september
Intussen zijn Helena’s portretten geschilderd. Colson heeft ze vervlochten met
portretten van enkele alter ego’s die figureren in zijn acties. Er is een nieuw
personage ontstaan, een nieuwe, androgyne zoon van Kippenberger, of liever:
schilderijen die de avonturen van deze vertwijfelde ridder sporadisch belichten.
De schilderijen worden niet goed genoeg bevonden om apart getoond of verkocht te
worden. Voortaan zullen ze altijd samen blijven, in een speciaal ontworpen kist.
Nog iets over
Vaast Colson
Vorig jaar heb ik nog een prachtige performance van Vaast Colson gezien, die hij
samen met Geert Saman had opgezet. De voorlopig definitieve werktitel was Boxing
Day. Met kartonnen dozen die ze een maand lang hadden verzameld op de Meir
bouwden ze op een plein voor de Antwerpse academie een schaalmodel van de Wiener
Secession. De kartonnen dozen werden eerst in elkaar gestoken en toegekleefd en
nadien met lichtblauwe singels samengebonden, zodat ze pasklare muren vormden.
Ook de koepel bestond uit samengesnoerde, kartonnen dozen en het plein was
helemaal bedekt met opengevouwen exemplaren. Het was een prachtige sculptuur.
Binnen dit gebouwtje werden enkele kunstwerken tentoongesteld die enkele weken
eerder waren ontvreemd uit de academie, met achterlating van een uitnodiging
voor Boxing Day. Er werd een vernissage georganiseerd en een kunstcriticus gaf
een lezing over de tentoongestelde werken.
Voor een andere tentoonstelling dit jaar snoerde Colson een gitaar vast aan een
stalen steunzuil van het Hessenhuis. Tussen de gitaar en de zuil zat een op maat
gesneden kussentje. De lichtblauwe singel liep onder de snaren door, klemde de
gitaar stevig vast, en droop dan naar beneden. De titel van het werk luidde To
retitle an object daily during the course of a show. Links onder de gitaar hing
een steeds dikker wordend stapeltje magnetische naamplaatjes met telkens nieuwe
titels. Voor dezelfde tentoonstelling gaf Colson een lezing over Martin
Kippenberger. De wachtende gegadigden kregen een nummer dat een volgorde
bepaalde. Een voor een werden ze uitgenodigd in een paviljoen, waar Colson aan
de hand van enkele boeken over Kippenberger uit zijn eigen bibliotheek een
lezing over Kippenberger verzorgde die telkens werd aangepast aan de kennis en
de vragen van de bezoeker. De duur van de lezing werd bepaald door een vijftien
beelden tellend filmrolletje. De bezoekers werden uitgenodigd vijftien beelden
te kiezen, die door Colson werden gefotografeerd als 'catalogus' van de
ontmoeting. Zodra het filmpje volgeschoten was, was de lezing gedaan.
Omstreeks dezelfde tijd toonde Colson de prachtige, sculpturale verwerking van
Helena: The Paintings Martin Couldn’t Paint Anymore. De schilderijen werden
opgestapeld en ingesnoerd met lichtblauwe singels en opgeborgen in een prachtig,
openschuivend en openklapbaar meubel dat luistert naar de naam Helena Sculpture.
Als je het openschuift verschijnen er twee zitbanken en een tafel, waarvan het
blad een reliëf draagt waarin alle lijntekeningen van de schilderijen
gecombineerd worden. Toeschouwers kunnen in de banken plaatsnemen en een afdruk
rubben. Als je het meubel openklapt zie je de ingesnoerde schilderijen. Het
meubel, dat in bewaring werd gegeven aan het Muhka, mag maar één keer per jaar
geopend worden: op de verjaardag van Helena.
Montagne de Miel, 17 oktober 2007 |
 |
| |
 |
| |
 |
To retitle an object daily during the course of a show,
Hessenhuis, Antwerpen, 2007
To view video |
 |
Ten Fibs I Told as a Child (2006)
A Perfect Present (Organised by Leon Vranken)
To
view a video, click here |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
Ten Fibs I Told as a Child (2006)
A Perfect Present (Organised by Leon Vranken)
To
view a video, click here |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
FORTSETTELSE (2008)
BAR BEGONIA
Met Lieven Segers en Pol Matthé
Dimanches de la Danse
Les Halles de Schaerbeek |
| |
 |
| |
 |
Boxing Day (2006)
Met Geert Saman
To
view a video, click here |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
Boxing Day (2006)
Met Geert Saman
To
view a video, click here |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
Break Down the Wall (2006)
Maes & Matthijs Gallery en Stella Lohaus
To
view a video, click here |
| |
.jpg) |
Portrayed, Packed & Sold (2007)
Maes & Matthys Gallery, Antwerpen |
| |
 |
| |
 |
Helena. The Paintings Martin Couldn't
Paint Anymore (2004)
Maes & Matthijs Gallery
To
view a video, click here |
| |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
|
Kalpetran (2002) |
| |
 |
'1h.
30min. sculpture' (2002)
Looking Glass, Dansaertstraat, Brussel
(A pile of coins made accessible by cutting a circular hole
in a shop window lasts until all the coins are taken away.) |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| Filmstills |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
Metodo Palla Pazza
(met Lieven Segers en Pol Matthé) |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
Met White Circle Crime Club
To
view a video, click here |
| |
 |
A Retrospective (2004)
Kunst-Nu, S.M.A.K. |
| |
 |
| |
 |
A Retrospective (2004)
Kunst-Nu, S.M.A.K. |
| |
 |
Het gevaar schuilt in
zijn voeten (1999)
One by One, Herman Teirlinckhuis, Beersel, 2004 |
| |
 |
| |
 |
U used to be part of
something (2004)
One by One, Herman Teirlinckhuis, Beersel, 2004 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
Het Ezelsfeest (2003)
De Warande, Turnhout |
| |
 |
| |
 |
Widu Gasti
'Off the Wall - De Nieuwe Galerie' (2001)
M&M Gallery, Bornem |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
Widu Gasti
'Off the Wall - De Nieuwe Galerie' (2001)
M&M Gallery, Bornem |
| |
 |
| |
 |
| Melonman |
| |
 |
| Op den droge |
| |
 |
| Kung Fu Dragon |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| |
 |
| Met Dennis Tyfus |
|
ESSAYS
Coulourful and Buzzing Castoffs, 2009
Als gonzend afval, 2009
De verborgen kant van Chouchou Colson, 2009
Nog iets over Vaast
Colson, 2007
De ridder is het fabeldier,
2004
Vaast Colson
en Frigo in Lokaal 01, 2004
TO VIEW
MOVING IMAGES
CLICK HERE
ABOUT TUMBLEWEED SPIN OFF
AND METODO PALLA-PAZZA, MILAN, MAY-JULY 2007
|